Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Een vergeten Bijbelvertaler: Johan de Brune en de Statenvertaling

De Zeeuwse literator Johan de Brune (1588-1658) is vooral bekend door zijn uitgave van Emblemata of Zinne-werck (1624) en, aan het eind van zijn leven, Banket-werck van goede gedagten (1657). Minder bekend is dat de Middelburgse jurist en raadspensionaris van Zeeland zich ook bezighield met het vertalen van Bijbelboeken uit de Hebreeuwse grondtekst. Vier van zijn tien werken zijn vertalingen van Bijbelboeken: Spreuken (1619), Psalmen (1644), Hooglied (1647) en Prediker. Deze laatste vertaling is niet overgeleverd. De Brune ontplooide zijn vertaalactiviteiten in de periode waarin ook tot het grote project van de Statenvertaling besloten werd. Dat roept de vraag op hoe zijn werk zich verhield tot actuele ontwikkelingen in het zeventiende-eeuwse Bijbelvertaalwerk, en in het bijzonder tot de Statenvertaling.

Samenvatting

Dit artikel belicht het weinig bekende Bijbelvertaalwerk van Johan de Brune (1588-1658), literator en raadspensionaris van Zeeland. Vier van zijn tien werken betreffen vertalingen van Bijbelboeken, waaronder Spreuken. Zijn werk valt samen met de totstandkoming van de Statenvertaling. Hij hanteerde vergelijkbare vertaalprincipes: nauwkeurige weergave van de Hebreeuwse grondtekst met respect voor de goddelijke autoriteit van de Schrift. Tekstvergelijkingen laten sterke overeenkomsten zien en suggereren dat zijn vertaling van Spreuken mogelijk als bron heeft gediend voor de Statenvertalers. Dit artikel toont op welke wijze een particulier initiatief zoals van De Brune heeft bijgedragen aan de Nederlandse Bijbelvertaalhistorie.

De Bijbelvertaling uit de grondtekst in opdracht van de Staten-Generaal had een lange aanloopperiode. Al in 1571 werd op de synode te Emden de zaak over de behoefte aan een Gereformeerde Bijbel behandeld zonder dat dit tot een echt initiatief leidde. Op de nationale synode in 1578 in Dordrecht werd de zaak opnieuw uitgesteld, omdat men voor de Nederlandse vertaling wachtte op een Franse vertaling en de Latijnse vertaling van Tremellius en Junius (1577-1579). De synode gaf Philips van Marnix van Sint-Aldegonde en Petrus Datheen opdracht om wel alvast bekwame Nederlandse vertalers te zoeken. Tijdens dit lange oponthoud zochten uitgevers en boekdrukkers manieren om in de behoefte te voorzien. Er ontstond een breder spectrum met allerlei particuliere initiatieven.

Particuliere initiatieven

Eén van die particulieren was De Brune. Voordat het project van de Bijbelvertaling in opdracht van de Staten-Generaal in de jaren twintig werd begonnen, debuteerde hij in 1619 met Proverbia, zijn vertaling van het boek Spreuken. De ondertitel vermeldt: ‘Nu eerst uyt de Hebreeusche in onse Neder-duytsche tale over-gheset’. Vanuit de humanistische wetenschapsbeoefening en gedreven door zijn geloofsovertuiging had het zo zuiver mogelijk vertalen van bronteksten voor De Brune de hoogste prioriteit. Het is onbekend of hij de vertaling van Marnix van Sint-Aldegonde kende. Zijn vertaling is daarmee ook niet te vergelijken, omdat de oorspronkelijke tekst van Marnix’ vertaling van Spreuken zoekgeraakt is.

De Brunes instigator

In De Brunes omgeving is zijn kennis en kunde als wetenschapper en filoloog opgemerkt. Hij verwijst er in zijn voorwoord naar dat iemand hem gestimuleerd heeft:

daer toe ick oock van die aengesocht, ende geporret ben geweest, diens oordeel ic grootelijcx achtte, diens geleertheyt ick verwondere ende diens Godsaligheyt boven al van een yegelick behoorde gepresen te worden.

Het feit dat De Brune zijn voorwoord richt aan de kerkenraad van Middelburg en dat hij tot dit werk ‘aangepord’ moest worden, veronderstelt dat hij bekend was met ontwikkelingen waarin uitgevers of particulieren op eigen houtje Bijbelgedeelten vertaalden. Maar hij laat zijn uitgave niet buiten zijn kerkenraad om verschijnen. Sterker nog, waarschijnlijk is hij door iemand uit dit college tot zijn vertaalwerk aangezet. Het is de vraag wie dit geweest kan zijn.

De Middelburgse advocaat zal in 1619 buiten zijn stad nog geen grote bekendheid als wetenschapper en literator hebben gehad. Het ligt daarom voor de hand te denken aan een persoon uit zijn directe omgeving. De eerste naam die al snel opkomt, is die van de invloedrijke Middelburgse predikant Willem Teellinck (1579-1629). Toch is het twijfelachtig of het inderdaad Teellinck was die De Brune aanspoorde. Teellincks werken waren meer gericht op de praktijk der godzaligheid en de reformatie der zeden dan dat hij zich bezighield met een zo zuiver mogelijke Bijbelvertaling. Hij had geen filologische wetenschappelijke aspiraties en daarom valt hij af. Omdat wetenschappelijke filologische belangstelling een belangrijk uitgangspunt geweest moet zijn, lijkt het waarschijnlijker dat de Middelburgse predikant Hermannus Faukelius (ca. 1558-1625) de belangrijkste instigator voor De Brunes vertaalwerk is geweest.

Faukelius was een geleerd en bekwaam theoloog en filoloog. Hij bezorgde al in 1617 een uitgave van het Nieuwe Testament onder de titel: Het Nieuw Testament onses Heeren JESU CHRISTI, wt den Grieckschen overgheset, neerstelick nu oversien na de beste oversettingen, (…). Hierbij heeft Faukelius de Hoogduitse vertaling van Johannes Piscator gebruikt. Daarnaast gebruikte hij waarschijnlijk de Latijnse vertaling van Pagninus, de Zwitserse van Zürich, de vertaling van Tremellius en Junius, de Franse vertaling van Genève, de Spaanse van Reina-Valera en de Italiaanse van Diodati. Hoogleraar Sixtinus Amama was zeer tevreden met deze uitgave die hij correcter achtte dan beschikbare vertalingen.

Na dit werk vertaalde Faukelius de geschiedkundige boeken van het Oude Testament. Dit werk werd niet gedrukt, maar bestond als handschrift. Het titelblad vermeldt: Uyt de Hebreusche spraecke, daerin die oorspronckelik van Mose beschreven zyn, trouwelick in Nederduytsch vertaelt ende overgeset (…) 1624. Faukelius heeft een vrij letterlijke vertaling geleverd. Omdat hij in 1625 stierf en besluiten over taalregels pas in 1628 door de Statenvertalers genomen werden, was hij zijn eigen weg gegaan. Enerzijds maakte hij gebruik van de woorden Du en Dy, waartegen destijds al bezwaar was. Anderzijds verving hij verouderde woorden uit eerdere Nederlandse vertalingen door woorden die in zijn tijd gebruikelijker en begrijpelijker waren.

Faukelius’ affiniteit met het Bijbelvertaalwerk was dus zeer groot. De Staten-Generaal benoemde hem in 1618 tot ‘translateur’ van het Nieuwe Testament en plaatsvervangend vertaler van het Oude Testament. Hij had goede relaties met de Zeeuwse predikanten Gerson Bucerus en Joos van Laren die ook bij het vertaalwerk betrokken waren. De voltooiing van de Statenvertaling maakte hij niet meer mee. De Brune schreef een grafdicht op zijn overlijden.

Het is aannemelijk dat De Brune goede contacten had met Faukelius, die de Middelburgse gemeente diende vanaf 1599 tot zijn dood in 1625. De Brune kende hem vanaf zijn jeugd en Faukelius zal zijn kennis en bekwaamheid zeker hebben opgemerkt. Kennis van het Hebreeuws en andere oosterse talen was in Zeeland in het begin van de zeventiende eeuw niet algemeen. Naast Faukelius beschikten onder anderen De Brune en Adam Boreel wel over een goede kennis van het Hebreeuws. Faukelius’ biograaf Borsius suggereert dat hij weleens de stimulans geweest kan zijn voor deze Zeeuwen om zich in Oosterse talen te bekwamen.

Waar De Brune zijn bekwaamheid in het Hebreeuws heeft opgedaan, is niet met zekerheid te zeggen. In 1606 begon hij zijn rechtenstudie in Leiden. Wetenschappelijk onderzoek van het Hebreeuws vond vooral plaats in Leiden en Franeker. Vooraanstaande hebraïsten waren in Leiden vanaf 1575 Johannes Drusius (1550-1616), Louis de Dieu (1590-1642) en Constantijn L’Empereur (1591-1648). Ook de hoogleraren Justus Scaliger (1540-1609) en Franciscus Gomarus (1563-1641) hadden veel belangstelling voor de Hebreeuwse taal en de rabbijnse literatuur. De Brune had de mogelijkheid om lang te studeren. Pas elf jaar later, in 1617, werd hij beëdigd als advocaat bij het Hof van Holland.

Vanuit Leiden kwam Gomarus in 1611 als predikant naar Middelburg, waar hij tot 1614 stond. De Brune zal hem in kerkelijke kring hebben ontmoet. Ook Gomarus heeft een belangrijke rol gespeeld bij de Statenvertaling door zijn aanstelling als revisor van het Oude Testament. Dat Gomarus De Brunes werk heeft gekend, blijkt uit een inventarislijst van Gomarus’ boekenbezit waarop De Brunes Proverbia (1619) voorkomt.

Van Faukelius – de vermoedelijke stimulator van De Brunes Bijbel-vertaalwerk – komen we bij Gomarus. Die was van doorslaggevende betekenis bij de Statenvertaling. Zo zien we een lijn van De Brune naar de Statenvertalers.

De Brune en de Statenvertaling

De doelstelling van de Statenvertalers om een zo zuiver mogelijke vertaling rechtstreeks uit de grondtalen te realiseren, kwam overeen met De Brunes visie. Dat blijkt uit een voorwoord bij zijn latere Bijbelvertaalwerk:

Van dien tijd af, dat ick met mijn eygen oogen in het Heylighdom van die Goddelicke Taele, gesien hebbe, ontsteken en blakende, met een heylige Zoeck-lust, om die Hemelsche Registers te door-bladen, en zonder voor-zucht, de rechte meeninghe ende onfeilbare Waerheyd daer uyt te putten.

De Brune beschouwt de taal van de Heilige Schrift niet als menselijke, maar als goddelijke taal waarvan het resultaat een onfeilbare waarheid biedt. Dat bepaalt zijn houding: ootmoedig en eerbiedig, want hij betreedt in de omgang met deze woorden een ‘Heylighdom’. Aan zijn vertaalwerk ligt zijn visie ten grondslag dat de onfeilbaarheid en de heiligheid van Gods Woord een zo nauwkeurig mogelijke vertaling vereisen. Een zuivere vertaling heeft meer zeggingskracht dan een parafraserende tekst, want het zijn Gods woorden. Daarvoor is gedegen kennis van de Hebreeuwse grondtaal nodig. Hij pretendeert met grote accuratesse de eigenlijke betekenis van de woorden te zijn nagegaan. De Brunes vertaling van het Spreukenboek verscheen in 1619. De vertalers van het Oude Testament, Wilhelmus Baudartius, Johannes Bogerman en Gerson Bucerus, werden in 1625 benoemd door de Staten-Generaal en zijn vanaf 1626 voortvarend te werk gegaan. Hebben zij De Brunes vertaling gekend? Zijn Spreukenvertaling was gepubliceerd, maar werd mogelijk niet wijdverspreid.

Toch is het zeker niet ondenkbaar dat De Brunes vertaling van Spreuken mede ten grondslag heeft gelegen aan de Statenvertaling. De Statenvertalers beschikten ook over handschriften van Marnix en Faukelius. Zij maakten dus gebruik van bestaand materiaal. Ook P.J. Meertens is van mening dat de Statenvertalers bij hun vertaling gebruik hebben gemaakt van het werk van anderen. Nicolaas van Hinlopen meldt hierover:

Zy, die wisten, dat vele oogen meer zagen dan een, zullen ook, (…) van anderen, die voor eigene liefhebberye aen de vertalinge van het een of ander boek der Heilige Schrift gewerkt hadden, verzocht hebben, hun dien arbeid mede te deelen.

Tekstvergelijking van het Bijbelboek Spreuken

In het Oud Synodaal Archief van de Nederlandse Hervormde Kerk bevinden zich handschriften en autografen van verschillende Bijbelboeken. Helaas zijn niet van alle Bijbelboeken manuscripten bewaard gebleven. Van het boek Spreuken bevindt zich een handschrift van de Veerse predikant Gerson Bucerus in het archief, Dat geldt ook voor een autograaf van het Spreukenboek (een gedrukte conceptvertaling, bestemd voor de revisoren; in zo’n concept hebben de revisoren hun correcties in en naast de tekst geschreven). Tekstvergelijkend onderzoek is soms lastig, omdat het voor de hand ligt dat verschillende vertalers tot dezelfde resultaten komen. Toch heb ik tekstfragmenten van de autograaf van de Statenvertalers vergeleken met de vertaling van De Brune om te constateren hoe groot de verschillen zijn in zinsconstructies en woordkeuzes. En dan blijkt uit steekproeven dat er in de woordvolgorde slechts kleine verschillen zijn en dat er grote overeenkomst is in zinsbouw. Ook de woordvarianten liggen in de meeste gevallen qua betekenis dicht bij elkaar.

Als we het handschrift van Gerson Bucerus vergelijken met de vertaling van De Brune en de autograaf van de Statenvertalers, blijkt dat de vertaling van De Brune en de Statenvertalers inhoudelijk sterk met elkaar overeenkomen, terwijl het handschrift van Bucerus daar duidelijk verder van afstaat. Bucerus geeft in zijn handschrift niet bij ieder tekstvers een vertaling, wat de vergelijking bemoeilijkt. Een meer volledige vertaling geeft hij bij Spreuken 8:20-30. In dit fragment betreffen de verschillen tussen De Brune en de Statenvertalers vooral woordkeuzes (zoals ‘hemelen’ versus ‘heuvelen’ in vers 25, en ‘straeten’ versus ‘velden’ in vers 26). Deze blijken bij nadere beschouwing echter minder fundamenteel: in hun kanttekeningen sluiten de Statenvertalers regelmatig aan bij De Brunes uitleg en motivering. Wanneer de annotaties worden meegewogen, wijzen de vertalingen op een gedeelde interpretatieve basis. Bucerus wijkt sterker af. Enkele voorbeelden zijn het gebruik van de naam Iehouah (vers 22) en de vertaling ‘werckmeester’ (vers 30), waar De Brune en de Statenvertalers kiezen voor ‘voesterlinck’. Meerdere steekproeven tonen dat De Brune en de Statenvertalers het dichtst bij elkaar staan, zowel in vertaling als in uitleg.

Het is zeer waarschijnlijk dat zowel De Brune als de Statenvertalers gebruikmaakten van de beste voorhanden zijnde vertalingen. Uit een vergelijking met de tekst van de Hoogduitse vertaling van Piscator, de tekst van de Statenvertalers en de vertaling van De Brune blijken deze teksten dicht bij elkaar te liggen.Hoewel De Brune en de Statenvertalers zeker de alom geprezen Latijnse vertaling van Tremellius en Junius geraadpleegd zullen hebben, volgden zij voor de begrenzing van hoofdstukken en tekstverzen de bij het volk bekende indeling van de Deux-Aesbijbel. De hoofdstukindeling van Tremellius en Junius was veel logischer, maar de Dordtse Synode sprak af om waar mogelijk aan te sluiten bij bestaande, bekende vertalingen. De werkwijze van De Brune en de Statenvertalers stemt hierin dus overeen.

Hermannus Faukelius. Prent van Daniël van den Bremden, 1631. © Rijksmuseum.

Uit later werk van De Brune, zijn Psalmberijming uit 1644, blijkt dat hij vertaalprincipes met de Statenvertalers deelde, maar wel enige kritiek had op hun al te letterlijke vertaling. Hierdoor kwam, vond hij, het vloeiende karakter van het Nederlandse taaleigen niet tot zijn recht. Anderzijds laat hij horen dat hij ingenomen is met de nauwgezette wijze van vertalen uit de grondtaal door de Statenvertalers.

Een vergelijking van de kanttekeningen van de Statenvertaling met het commentaar van De Brune laat een groot verschil zien. De kanttekeningen zijn omvangrijker dan De Brunes verklaring. Hier en daar geven de Statenvertalers synoniemen of een meer letterlijke vertaling, maar daarnaast ook veel tekstverwijzingen naar andere Bijbelboeken. Het karakter van de kanttekeningen is vooral gericht op een geestelijke uitleg. Evenals in zijn latere commentaar op het Hooglied is De Brune hier gericht op de letterlijke uitleg van woorden. Hij schenkt veel aandacht aan woordbetekenis en gewoonten en gebruiken in een contemporaine en historische context.

Slotbeschouwing

Het ligt voor de hand dat de Middelburgse predikant Faukelius de belangrijkste stimulator is geweest voor De Brunes vertaalwerk. Faukelius zal De Brunes werk, evenals zijn eigen handschriften, onder de aandacht van de Statenvertalers hebben gebracht.

De Brunes werkwijze en vertaling komen dicht in de buurt bij die van de Statenvertalers. Tekstvergelijking laat grote overeenkomsten zien in zinsconstructie en woordkeuzes tussen De Brunes vertaling van Spreuken en de tekst van de Statenvertalers. Bucerus’ vertaling wijkt meer af van de Statenvertaling. Gomarus had De Brunes Proverbia in zijn bezit en is waarschijnlijk als revisor in de eindfase van doorslaggevende betekenis geweest om de voorkeur te geven aan De Brunes vertaling.

Als we veronderstellen dat De Brunes vertaalwerk van Spreuken ten grondslag heeft gelegen aan de Statenvertaling, waarom wordt zijn naam dan niet genoemd door de Statenvertalers? De vertalers werden benoemd door de Staten-Generaal. Opmerkelijk is dat alle Statenvertalers predikant waren. Kennelijk heeft men, gezien de wildgroei die er al was, het Bijbelvertaalwerk onder kerkelijke redactie willen houden. Bij de benoeming van de vertalers is naast de competenties ‘kennis van de grondtaal’ en ‘filologische bekwaamheid’ gelet op een ‘nauwgezette godzalige levenswandel’. Deze kwalificaties zouden op De Brune van toepassing kunnen zijn, maar hij diende de gemeenschap als jurist en politicus en was nu eenmaal geen theoloog. Zo hebben de Statenvertalers zich wel breed georiënteerd op al bestaand materiaal, maar zij hielden de eindredactie in eigen hand.

Dr. Adriana de Ridder is verbonden aan de Theologische Universiteit Apeldoorn als geassocieerd onderzoeker in de onderzoeksgroep Theologie en Muziek.

Bronvermelding

Adriana de Ridder, ‘Een vergeten Bijbelvertaler: Johan de Brune en de Statenvertaling’ in: Met Andere Woorden 45/1 (juni 2026), 55-63.

Afbeelding: Johan de Brune. Gravure van Theodor Matham, 1656. © Rijksmuseum.

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.46.1
Volg ons