Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Bestuurder, koopman en Bijbelvertaler? De ontbrekende bladzijde uit het Papiamentse Matteüs-evangelie van 1844

Jacob Lauffer, ca. 1870. Bron: https://caribischegenealogie.org

In 1844 werd op Curaçao het Matteüs-evangelie voor het eerst vertaald naar het Papiamento, onder toezicht van de Nederlands-hervormde predikant Cornelis Conradi. Deze vertaling staat tevens bekend als het eerste gedrukte boek in het Papiamento. Voor meer dan anderhalve eeuw heerste het idee dat Conradi ook de vertaler van het evangelie zou zijn geweest, maar niets blijkt minder waar.

Een mysterieus briefje 

In het exemplaar van dit evangelie in de bibliotheek van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG) werd afgelopen januari door Matthijs de Jong een handgeschreven briefje uit 1845 gevonden. Het NBG had de uitgave in 1844 namelijk ondersteund met een financiële bijdrage. Een aantal exemplaren werd naar Nederland verscheept, waarschijnlijk naar het NBG-kantoor in Amsterdam. Vandaar gingen er presentexemplaren naar verschillende contacten en instanties. Het briefje luidt als volgt: 

Ik heb de eer en het genoegen bij dezen UED (Uw Edele) 

aan te bieden een exemplaar van het Evangelie 

van Mattheus in den landstaal van Curaçao, 

uit naam van den Heer J. Lauffer, vertaler, 

en van den Weledel ZG Heer C. Conradi, die over 

den druk en uitgave toezigt heeft gehad. 

Amsterdam Juny 1845 

Straks kom ik terug op de vraag wie dit briefje schreef, maar eerst het opvallende nieuws. Volgens dit briefje is niet ds. Cornelis Conradi, maar ene J. Lauffer de vertaler van het evangelie. Zou dat kunnen kloppen? Bij nader inzien staat in de uitgave zelf inderdaad níét dat Conradi de vertaler is. Er staat op het titelblad alleen dat de vertaling gepubliceerd is onder zijn toezicht: ‘Ewanhelie di San Mateo, poeblikado abau di direksjon di Domini C. Conradi. De naam J. Lauffer wordt in de uitgave echter nergens genoemd.  

Na enig speurwerk in krantenarchieven duikt zijn naam tóch op in verband met dit evangelie.  In de Curaçaosche Courant van zaterdag 19 oktober 1844 treffen we een bericht van de hand van Conradi zelf, over het pas verschenen Evangelie van Matteüs. Het begint als volgt:  

Door het Hoofdbestuur van het Nederlandsche Bybelgenootschap, hetwelk te Amsterdam gevestigd is, aangemoedigd en, namens hetzelve, edelmoedig ondersteund, is het my mogen gelukken – met vriendelyke medewerking van onzen geachten landgenoot, den WelEdelen Gestrengen Heer J. Lauffer, – om in de inlandsche spraak eene vertaling te bezorgen van de Heilige Schrift, en bepaaldelyk van de boeken van het Nieuwe Verbond, waarvan heden, het Evangelie van Mattheus het licht ziet, en by de uitgevers dezer Courant, tegen den prys van f. 1. verkrygbaar wordt gesteld.  

Het ‘met vriendelyke medewerking’ klinkt nogal zuinig, maar dit bericht bevestigt dat J. Lauffer als vertaler een rol heeft gespeeld. Een rol die in de geschiedenis al snel lijkt te zijn vergeten. Wie was deze J. Lauffer en wat weten we over dit evangelie?  

Het blijkt te gaan om de protestantse Jacob Lauffer, bestuurder en koopman op Curaçao. Lezers die bekend zijn met de Curaçaose geschiedenis kunnen al raden waarom het opmerkelijk is dat de protestantse Lauffer de vertaler blijkt te zijn, maar voor degenen die daar onbekend mee zijn, zullen we nu eerst een duik nemen in de geschiedenis van Curaçao. 

Titelblad Matteüs-Evangelie 1844.

Het briefje uit 1845.

Curaçao onder Nederlands bewind 

Curaçao was vanaf zijn ‘ontdekking’ door Alonso de Ojeda een Spaanse kolonie, maar dat veranderde in 1634, toen de West-Indische Compagnie (WIC) het eiland veroverde. Voor Curaçao betekende dit niet alleen een regimewisseling, maar ook een verandering op het gebied van godsdienst. De Spanjaarden waren immers katholiek en de WIC kwam voort uit de protestantse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De WIC kwam op Curaçao aan met haar eigen predikanten, die echter uitsluitend de taak hadden om geestelijk werk te verrichten onder compagniesdienaren. De complexe relatie tussen de protestanten en katholieken op het Europese continent vertaalde zich ook naar de Caribische eilanden. Het verblijf van de Spaanse priesters op Curaçao werd hun met de komst van de WIC ontzegd. Daarbij is het belangrijk om op te merken dat de katholieken, in tegenstelling tot de protestanten, tot slaaf gemaakten wel doopten en toelieten tot het katholieke geloof. 

Terugkeer van katholieke priesters 

De inkomsten van de WIC op Curaçao bestonden voornamelijk uit de handel in tot slaaf gemaakten. In 1642 begon de WIC met de handel in tot slaaf gemaakten uit de westkust van Afrika. Dit leverde voor de protestantse predikanten op het eiland veel vragen op, met name op het gebied van bekering en doop. Uiteindelijk eiste de Classis van Amsterdam dat de tot slaaf gemaakten onderwezen werden in de christelijke leer voordat zij gedoopt konden worden in het christelijke geloof. De predikanten op het eiland vroegen zich echter af of tot slaaf gemaakten überhaupt tot Gods verbond konden behoren. Hierdoor lag de bekering van de tot slaaf gemaakten lange tijd stil.  

Dit veranderde echter met het asiento (1677) en de latere slavenopstanden in het Caribisch gebied. Het asiento betrof een door de Spaanse overheid opgesteld contract rond de handel in tot slaaf gemaakten, dat eiste dat de tot slaaf gemaakten katholiek gedoopt werden voordat zij aan Spanjaarden verkocht konden worden. Om de handel mogelijk te maken, werden er daarom weer katholieke priesters toegelaten op Curaçao. Wel is belangrijk om op te merken dat de priesters die vanwege het asiento kwamen, nooit lang op het eiland bleven en meestal slechts met zijn tweeën waren. De echte toename van katholieke priesters kwam pas rond het einde van de achttiende en begin negentiende eeuw. Slavenopstanden in de regio zorgden toen voor veel angst; men was bang dat er ook op Curaçao (opnieuw) een slavenopstand zou uitbreken. Daarom werden de Spaanse priesters, en later ook Nederlandse priesters, weer toegelaten op het eiland. De enige eis was dat de priesters zich bezig moesten houden met de tot slaaf gemaakte bevolking; die moesten ze in toom houden met preken over christelijke gehoorzaamheid. Daarnaast gaven de priesters catechismusles aan de tot slaaf gemaakten. In 1826 werd voor het eerst een catechismus vertaald naar het Papiamento, door Mgr. Niewindt. Uiteindelijk (na 1820) werd door deze inspanningen vrijwel de hele tot slaaf gemaakte bevolking op Curaçao katholiek.

De taalstrijd 

De protestanten en katholieken verschilden niet alleen van mening over het bekeren van tot slaaf gemaakten, maar ook op het gebied van de taal. Volgens de katholieken was het van groot belang dat de tot slaaf gemaakten in hun eigen taal, het Papiamento, onderwijs en catechismusles kregen. Dit stond recht tegenover de visie van de protestanten, die juist het Nederlands verkozen boven het Papiamento. Zo beschreef de protestantse onderwijzer Van Paddenburg (rond 1820) het Papiamento als een ‘slaventaal’ die ‘ondraaglijk (…) gekakel voor de verfijnde Europese oren’ was en ‘als het geluid van een kalkoen waar je moeilijk aan kunt wennen’. De protestanten zetten zich fel af tegen het Papiamento. Toch verspreidde het Papiamento zich steeds meer onder alle bevolkingsgroepen, ook onder de ‘witte’ protestantse bevolking. Opgevoed door de yaya’s (tot slaaf gemaakte nan­ny’s) groeiden de kinderen van de ‘witte’ families op met Papiamento als moedertaal. Door de verspreiding van het Papiamento spraken steeds minder mensen op Curaçao vloeiend Nederlands. Het werd daardoor steeds moeilijker om het Papiamento te negeren. 

Jacob Lauffer 

Ook Jacob Lauffer (1810-1883) groeide op met Papiamento. Hij was geboren op Curaçao als de zoon van oud-gouverneur Johann Rudolf Lauffer en Hermina Corpus Davelaar. Hij werd gedoopt in de katholieke kerk, omdat zijn moeder katholiek was. Hij volgde echter in de voetsporen van zijn protestantse vader en nam later een prominente rol op zich in de Verenigde Protestantse Gemeente. Op Curaçao hield Lauffer zich voornamelijk bezig met zijn handelsfirma, bankierszaken en zijn rol als bestuurder. Ook was Lauffer, samen met onder andere Conradi en Niewindt, lid van de schoolcommissie (1842-1846). Zij vervulden een rol die vergelijkbaar is met wat wij tegenwoordig een schoolinspecteur noemen. Daarnaast was hij samen met zijn broer eigenaar van een zoutplantage genaamd Damasco. Op deze plantage werkten tot slaaf gemaakten onder dwang. Lauffer stond toe dat een priester op de plantage catechismusles gaf aan de tot slaaf gemaakten. 

Lauffer had drie kinderen met de in slavernij geboren Maria Victorina Duchatel, tevens eigendom van Lauffer. Vlak voor de geboorte van hun eerste kind verleende hij haar manumissie, zodat zij kon bevallen van een vrij kind. Alle drie de kinderen werden gedoopt in de Verenigde Protestantse Gemeente.  

Opvallend is dat Lauffer ook een prominente rol had in het debat over de emancipatie van tot slaaf gemaakten. In zijn voorstel voor emancipatie (ingediend in 1848) benadrukte Lauffer vergoedingen voor de slaveneigenaren en een beschaving van de tot slaaf gemaakten. Dit bleef voor hem een belangrijke kwestie. In 1854 werd hij hierop hard bekritiseerd vanuit de Nederlandse abolitionistische beweging, door Marten Douwes Teenstra. Lauffer zou ‘een gevoellooze, menschen schuwe man zijn, die een ingeborenen haat aan zijne Afrikaansche broeders toedroeg’. Lauffer reageerde publiekelijk op deze aantijgingen:  

Tegen deze zoo boosaardige beschuldiging kan ik geene geregtelijke bewijzen tot mijne verdediging voorbrengen. Ik mag mijn eigene getuige niet zijn. Het is ook mijn karakter niet, mijn eigen lof voor het publiek uit te bazuinen. Maar als ik niet vertellen kan wat ik ben, als zoon, broeder, als vader van de twee kinderen, die ik voor God en de gemeente bij hunnen doop erkend heb, hoe ik hunne zwarte moeder in eer houd (hetgeen toch een zijdelingsch en moreel bewijs is, dat ik mijne Afrikaansche broeders geen ingeboren haat toedraag) zal echter het publiek in Nederland wel kunnen vermoeden dat ik geen gevoellooze, menschen schuwe man kan zijn.

Ook op de bewering dat zijn moeder een tot slaaf gemaakte vrouw zou zijn geweest, gaat Lauffer omstandig in: 

Ik moet U verklaren dat het geheel onwaar is, dat zij in slavernij geboren is en familie betrekkingen onder de slaven heeft. Ik zeg zulks geenszins, omdat ik het als onteerend voor iemand zou beschouwen, indien hij tot eenen stand der maatschappij behoorde, waarop slechts een ongodsdienstige mensch, die het werk der voorzienigheid niet weet te eerbiedigen, met minachting nederziet, ik stel alleen aan de kaak voor het publiek in Nederland eene onwaarheid, welke op Curaçao niet behoeft wederlegd te worden. Ik denk dat ene moeder altijd moeder blijft voor eenen regtschapen zoon, al klopt haar moederlijk hart onder het zwartste vel.

Lauffer was een complexe man, die opereerde in gelaagde context. Hij was enerzijds de vader van drie bi-etnische kinderen en iemand die zich inzette voor de emancipatie van de tot slaaf gemaakten, maar anderzijds ook iemand die voorrang gaf aan de belangen van de slaveneigenaren en bleef hameren op financiële compensatie.  

Toch is één ding duidelijk: Lauffer sprak van jongs af aan Papiamento. Dat gold zeker niet voor ds. Conradi, die in 1837 naar Curaçao kwam. Onder kenners bestond daarom altijd al de gedachte dat Conradi bij de vertaling van Matteüs hulp moest hebben gehad van een native speaker.9 Bij die helper hebben we nu een naam en een gezicht.  

Bijbelvertaling voor iedereen? 

Het is zeer opmerkelijk dat de protestanten een vertaling van het Matteüs-evangelie in Papiamento uitbrachten. De protestanten hadden absoluut geen voorkeur voor Papiamento en toonden geen intentie om tot slaaf gemaakten in hun gemeente op te nemen. Er bestaan in mijn optiek drie mogelijke verklaringen voor deze uitgave.  

Allereerst, gezien de verspreiding van Papiamento onder de ‘witte’ protestantse bevolking, wilde men voor de protestanten die het Nederlands niet langer beheersten de Bijbel, te beginnen met een van de evangeliën (plus tien geboden), vertalen naar het Papiamento, zodat ook zij de tekst zouden kunnen lezen en begrijpen. Dit is de verklaring van Joh. Hartog, in Curaçao. Van kolonie tot autonomie (deel 2):  

(…) omdat de kennis van het Nederlands uitermate gering was, moest de predikant bij het catechismus-onderricht wel eens iets toelichten in het Papiament. Dit gold dus de kinderen van de blanke Protestanten. Voor hen vertaalde ds. Conradi het Evangelie van St. Mattheus.  

Een bijkomend element dat deze verklaring kan ondersteunen, is het feit dat Lauffer, Conradi en Niewindt ten tijde van de uitgave deel uitmaakten van de schoolcommissie en dus ook toezagen op het (godsdienst)onderwijs. Maar het idee dat Conradi speciaal voor de protestantse kinderen het evangelie vertaald had, werd niet eerder geuit, althans niet in publicaties uit de tijd van de vertaling. Het is dan ook de vraag of dit daadwerkelijk het doel van de vertaling was.  

De tweede mogelijkheid kan zijn dat het Matteüs-evangelie in Papiamento, net zoals de katholieke catechismussen, mede bedoeld was voor de tot slaaf gemaakten. Het Matteüs-evangelie zou dan misschien gebruikt zijn in protestants godsdienstonderwijs aan tot slaaf gemaakten op de plantages. Wellicht schuilt er een aanwijzing in wat Conradi schreef over de vertaling (1844): ‘Zoo dat het onmisbare Bijbelwoord tegenwoordig voor iedereen in verstaanbaar schrift verkrijgbaar is. De grote vraag is wie er hier bedoeld wordt met ‘iedereen’. Dat hij daar ook de tot slaaf gemaakten toe rekende, is misschien te mooi om waar te zijn. Bovendien was het evangelie niet kosteloos: een exemplaar kostte één gulden. 

De derde mogelijkheid treffen we in het krantenartikel van Conradi uit 1844. Conradi had namelijk de ambitie om op Curaçao een afdeling van het Bijbelgenootschap op te richten. De publicatie van een evangelie, mede bekostigd door het NBG, is in dat licht een stap op weg naar meer:  

Dit bewys van belangstelling door het Moederland gegeven, zal, naar ik gereedelyk vertrouw, den Curaçaoënaaren aangenaam zyn, en velen hunner ten spoorslag verstrekken om mede te werken aan de oprigting van eene afdeeling van het Bybelgenootschap in ons midden, waartoe ik van wege gemeld Hoofdbestuur reeds lang ben aangezocht, en aan welk aanzoek ik in January aanstaande een gewenscht gevolg hoop te geven.

Was dit evangelie het eerste wapenfeit van een ambitieus project? Hoewel Conradi’s verwachtingen groot waren, leverden ze niet meer vruchten op dan deze vertaling van het Matteüs-evangelie.  

Conclusie 

Al met al blijft de vertaling van het Matteüs-evangelie in het Papiamento door protestanten uitzonderlijk. Papiamento werd immers gezien als een ‘slaventaal’, die in de optiek van de protestanten zeker niet geschikt was voor religieus gebruik. Ook stond het gebruik van het Papiamento haaks op hun streven om het Nederlands als dominante en beschavende taal te hanteren, juist omdat zij vreesden voor het verdere verval van het Nederlands onder de ‘witte’ bevolking. Toch werd het Matteüs-evangelie in het Papiamento vertaald. Was het bedoeld voor de protestantse kinderen die het Nederlands steeds slechter beheersten? Of was de vertaling juist gericht op godsdienstonderwijs aan tot slaaf gemaakten? Of was het simpelweg een eerste ‘huisproduct’ van de nieuw te vormen Curaçaose afdeling van het Bijbelgenootschap? Bovendien bestaat er nog veel onduidelijkheid over Lauffer. Waarom werd zijn inbreng als vertaler zo klein mogelijk gemaakt en daarna al snel vergeten?  

Verder onderzoek is van groot belang om antwoord te kunnen krijgen op deze vragen. Wellicht kan het genoemde briefje daar nog bij helpen. Het briefje bevat, naast het al geciteerde bericht, een lijstje van instanties en personen die een exemplaar van het evangelie kregen, namens ‘J. Lauffer, vertaler, en Conradi’. Het sluit af met ‘Ik heb de eer’, gevolgd door drie moeilijk te ontcijferen initialen. De schrijver van het briefje – vermoedelijk iemand van het NBG-hoofdkantoor in Amsterdam – blijft daarmee voorlopig onbekend. Hoewel veel vragen onbeantwoord blijven, toont dit briefje hoe iets kleins uiteindelijk een groot verschil kan maken. 

Agièn Jongeling is derdejaarsstudente sociologie. Dit artikel is geschreven als afsluitende opdracht voor de minor Bible Translation in the Digital Age, aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Met dank aan Matthijs de Jong, Martijn Stoutjesdijk, Marlon Winedt en Rose-Mary Allen. 

Bronvermelding

Agièn Jongeling, 'Bestuurder, koopman en Bijbelvertaler? De ontbrekende bladzijde uit het Papiamentse Matteüs-evangelie van 1844' in: Met Andere Woorden 44/online (25 februari 2026), debijbel.nl.

Geraadpleegde literatuur

  • Advertentie. De Curaçaosche courant, Willemstad, 19-10-1844, p. 2.  
  • R.M. Allen, Di ki manera? A social history of Afro-Curaçaoans, 1863-1917, Utrecht 2007 (Proefschrift, Universiteit Utrecht). 
  • Binnenlandsche berichten. Arnhemsche courant, Arnhem, 18-09-1844, p. 2.  
  • Caribische Genealogie. (z.d.). Jacob Lauffer.
  • C. Conradi, Ewanhelie di San Matheo, Curaçao 1844 (Digitale scan). Biblioteca Nacional Aruba. Internet Archive.
  • G.J.M. Dahlhaus, Monseigneur Martinus Joannes Niewindt, eerste apostolisch vicaris van Curaçao. Een levensschets, Curaçao 1924 (Digitale scan: Leiden Universiteit Digitale Collectie).
  • Eerste rapport der Staatscommissie, benoemd bij Koninklijk Besluit van 29 November 1853, no. 66 tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandse koloniën: Suriname (1855). (n.p.): Van Cleef. 
  • G.C. Fouse, ‘Slavery and the Development of Papiamentu’ in: Journal of Caribbean Literatures 5/1 (2007), p. 61-72.
  • Gemeente Amsterdam Stadsarchief (2020, 7 juli). 1677 Asiento de negro.
  • Joh. Hartog, Curaçao. Van kolonie tot autonomie (deel 2, na 1816), Aruba 1961. 
  • A.J.C. Krafft, Historie en oude families van de Nederlandse Antillen. Het Antilliaanse Patriciaat, ’s-Gravenhage, 1951. 
  • S. Dominicus penning. Geraadpleegd op Delpher op 26-01-2026.
  • C.W.M. Schunck, Intolerante tolerantie. De geschiedenis van de katholieke missionering op Curaçao, 1499-1776, Nijmegen 2019 (Proefschrift, Radboud Universiteit Nijmegen). 
  • Utrechtsche provinciale en stads-courant: algemeen advertentieblad. Utrecht, 06-04-1854, p. 3. 

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons