25zei hij:
‘Vervloekt zij Kanaän,
knecht van zijn broers zal Kanaän zijn,
de minste van alle knechten.
26Geprezen zij de HEER, de God van Sem;
knecht van Sem zal Kanaän zijn.
27Moge God ruimte geven aan Jafet,
hem laten wonen in de tenten van Sem;
knecht van Jafet zal Kanaän zijn.’
32Laten de gezanten uit Egypte zich aandienen,
de Nubiërs met geschenken zich haasten naar God.