20niemand met een gebochelde of dwergachtige gestalte, niemand met staar, niemand met zweren of uitslag, niemand met beschadigde zaadballen.
3De vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden,
laat hij niet zeggen:
‘De HEER zondert mij zeker af van zijn volk.’
En laat de eunuch niet zeggen:
‘Ik ben maar een dorre boom.’
4Want dit zegt de HEER:
De eunuch die mijn sabbat in acht neemt,
die keuzes maakt naar mijn wil,
die vasthoudt aan mijn verbond,
5hem geef Ik iets beters dan zonen en dochters:
een gedenkteken en een naam in mijn tempel
en binnen de muren van mijn stad.
Ik geef hem een eeuwige naam,
een naam die onvergankelijk is.