47Ik vroeg haar van wie zij een dochter was. “Van Betuel,” antwoordde ze, “de zoon van Nachor en Milka.” Toen deed ik de ring in haar neus en de armbanden om haar polsen.
15Ik zal haar straffen voor de feesten die ze aan de Baäls wijdde en waarop ze offers aan hen bracht; uitgedost met ringen en halssieraden liep ze achter haar minnaars aan. Maar Mij vergat ze – spreekt de HEER.
16De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. 17Daarom zal de HEER Sions vrouwen de schedel kaalscheren en hun voorhoofd ontbloten. 18Op die dag neemt Hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes, 19hun oorringen, armbanden en sluiers, 20hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten, 21de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus, 22hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes, 23hun doorschijnende gewaden, hemdjes, tulbanden en sjaals. 24Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid.
22Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring tevoorschijn die een halve sjekel woog, en twee gouden armbanden, die tien sjekel zwaar waren. 23‘Mag ik je vragen van wie je een dochter bent?’ vroeg hij. ‘En is er misschien in je vaders huis zo veel ruimte dat wij daar kunnen overnachten?’ 24‘Ik ben een dochter van Betuel, de zoon van Milka en Nachor,’ antwoordde ze. 25‘En jazeker, we hebben stro en meer dan genoeg voer, en ook plaats om te overnachten.’ 26Toen viel de man op zijn knieën, boog zich neer voor de HEER27en zei: ‘Geprezen zij de HEER, de God van mijn meester Abraham, die mijn meester zijn genegenheid en trouw niet heeft onthouden. De HEER heeft mij naar het huis van mijn meesters verwanten gebracht.’ 28Het meisje rende naar huis, naar haar moeder, en vertelde wat er was gebeurd.
29Nu had Rebekka een broer, Laban. Deze haastte zich de stad uit, om naar de man bij de bron te gaan; 30zodra hij de neusring had gezien en de armbanden die zijn zus om had, en van haar had gehoord wat de man tegen haar had gezegd, ging hij naar hem toe. De man bleek nog bij zijn kamelen te staan, bij de bron.
50Wat wijzelf aan gouden voorwerpen hebben aangetroffen, bieden we de HEER als offergave aan: enkelkettinkjes, armbanden, vingerringen, oorringen en halssieraden. Hiermee willen we bij de HEER verzoening voor onszelf bewerken.’
42Eromheen was het geluid te horen van een zorgeloze menigte: er waren Sabeeërs uit de woestijn en mannen van allerlei slag; jij en je zus kregen armbanden om en een prachtige kroon op het hoofd.
50Wat wijzelf aan gouden voorwerpen hebben aangetroffen, bieden we de HEER als offergave aan: enkelkettinkjes, armbanden, vingerringen, oorringen en halssieraden. Hiermee willen we bij de HEER verzoening voor onszelf bewerken.’