13Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats. 14Hij zal een heiligdom zijn, maar ook de steen waaraan men zich stoot, de rots waarover de twee koningshuizen van Israël struikelen, de valstrik en het net waarin de inwoners van Jeruzalem verstrikt raken.
41Wanneer Ik jullie heb weggeleid bij de volken waartussen jullie nu wonen, zal Ik jullie als een geurige gave aanvaarden. Ik zal jullie bij elkaar brengen vanuit de landen waarover jullie nu verstrooid zijn, en zo de volken laten zien dat Ik heilig ben.
22Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik keer me tegen je, Sidon! Zo zal Ik mijn majesteit tonen. Ze zullen weten dat Ik de HEER ben als Ik Sidon straf, zo zal Ik laten zien dat Ik heilig ben.
2‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij op gepaste wijze moeten omgaan met de heilige gaven die de Israëlieten aan Mij afstaan, opdat ze mijn heilige naam niet ontwijden. Ik ben de HEER.
39Luister, volk van Israël! Dit zegt God, de HEER: Loop maar achter je afgoden aan, ga daar rustig mee door als jullie niet naar Mij willen luisteren, maar mijn heilige naam zullen jullie niet langer met je offers en afgoden ontwijden.
31Houd je aan mijn voorschriften en leef ze na. Ik ben de HEER. 32Doen jullie dat niet, dan ontwijden jullie mijn heilige naam en moet Ik mijn heiligheid tegenover jullie bewijzen. Ik ben de HEER, Ik heilig jullie.
11Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte Hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en geheiligd.
13‘Zeg tegen de Israëlieten: “Neem wel steeds mijn sabbat in acht, want elke generatie opnieuw is die dag voor Mij en voor jullie een teken dat eraan herinnert dat Ik, de HEER, jullie geheiligd heb.
13Toen hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zei tegen degene die gesproken had: ‘Hoe lang zal het duren, wat in het visioen is gezegd over het dagelijks offer en de verwoestende overtreding, de ontwijding van het heiligdom en het vertrapte leger?’
5Jullie zullen wegvluchten, het dal in tussen die twee bergketens dat zich zal uitstrekken tot aan Asel, zoals jullie ook gevlucht zijn bij de aardbeving in de tijd dat koning Uzzia regeerde over Juda. En de HEER, mijn God, zal verschijnen met alle hemelingen.