Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 29 / Job 6-7, Spr. 20

Bijbeltekst(en)

Jobs antwoord op Elifaz’ eerste betoog

1Hierop antwoordde Job:

2‘Weeg mijn verdriet en mijn boosheid,

leg mijn lijden erbij in de weegschaal:

3zwaarder is het dan het zand bij de zee.

Daarom waren mijn woorden zo roekeloos.

4De pijlen van de Ontzagwekkende steken in mij,

mijn geest wordt door hun gif vergiftigd.

Voor mij staat de slagorde van Gods verschrikkingen.

5Balkt een ezel bij het zien van mals gras,

loeit een os bij zijn voederbak?

6Eet men flauwe spijzen zonder zout,

zit er smaak aan het wit van een ei?

7Ik keer mij af van zulk voedsel,

het is weerzinwekkend.

8Laat toch gebeuren waar ik om vraag,

laat God mijn hoop verwerkelijken.

9Wilde Hij mij maar verpletteren,

zijn hand terugtrekken, mijn levensdraad afsnijden.

10Dat zou een troost voor mij zijn,

ik zou opspringen, ondanks de pijn die Hij mij niet bespaart,

ik heb de woorden van de Heilige nooit verloochend.

11Ik heb geen kracht meer om te wachten.

Met welk doel zou ik alles verdragen?

12Is mijn kracht de kracht van stenen?

Is mijn lichaam hard als brons?

13Vind ik nog ergens hulp?

Kan iets mij nog uitkomst bieden?

14Wie zich bekommert om een vriend in nood

toont zijn eerbied voor de Ontzagwekkende.

15Maar mijn vrienden zijn onbetrouwbaar,

als beken die voorbijstromen,

16troebel onder het ijs,

donker in de sneeuw.

17’s Zomers slinken ze en zijn niet meer te horen,

ze verdampen in de hitte en zijn onvindbaar.

18Kronkelend door de woestenij

eindigen ze in het niets en gaan verloren.

19Karavanen van Tema speuren naar hun loop,

reizigers uit Seba rekenen op hun water.

20Maar hun vertrouwen wordt beschaamd,

daar aangekomen zien ze zich bedrogen.

21Welnu, zo zijn jullie ook geworden,

jullie zien mijn rampspoed en angst is jullie antwoord.

22Heb ik jullie soms gevraagd: “Geef me iets”?

Of: “Betaal voor mij met jullie geld”?

23Of: “Bevrijd me uit vijandelijke hand,

verlos me uit de macht van tirannen”?

24Als ik iets misdaan heb, vertel het dan.

Leg het me uit, ik zal wel zwijgen.

25Oprechte woorden sterken,

maar jullie verwijten – wat tonen die aan?

26Nemen jullie me mijn woorden kwalijk?

Is mijn vertwijfeld spreken voor jullie niets dan wind?

27Een weeskind zouden jullie nog verdobbelen,

jullie zouden zelfs je eigen vriend verkopen!

28Keer mij je gezicht toe en luister.

Ik zal tegen jullie toch niet liegen?

29Bezin je, laat geen onrecht gebeuren.

Bezin je, nog altijd sta ik in mijn recht.

30Ligt er kwaad op mijn tong?

Ken ik de smaak van rampspoed niet?

1Is het aardse leven van de mens geen slavendienst,

brengt hij zijn dagen niet door als een dagloner?

2Als een slaaf smacht hij naar schaduw,

als een dagloner wacht hij op zijn loon.

3Maanden van leegte heb ik ervaren,

nachtenlang werd ik door ellende overmand.

4Als ik ga slapen, vraag ik: “Wanneer sta ik weer op?”

Maar de avond duurt en duurt

en onrust vervult me tot de dageraad.

5Mijn lichaam is met wormen en korsten bedekt,

mijn huid verschilfert en laat los.

6Mijn dagen gaan sneller dan een weversspoel,

ze haasten zich naar een einde zonder hoop.

7Bedenk, o God: in een zucht is mijn leven voorbij,

nooit weer zal mijn blik het goede aanschouwen.

8Het oog dat op mij is gericht, zal niets zien:

U kijkt naar mij, maar ik zal er niet zijn.

9Zoals wolken verwaaien en verdwijnen,

zo daalt de mens voorgoed af in het dodenrijk.

10Naar zijn huis keert hij niet terug

en zijn woonplaats zal hem niet meer kennen.

11Maar ik zal mijn mond niet houden,

zo beklemd als mijn hart is, zal ik spreken,

zo bitter als mijn ziel is, zal ik klagen.

12Ben ik de zee of het zeemonster?

Moet U mij daarom bewaken?

13Want als ik zeg: “In mijn bed vind ik troost,

de slaap zal mijn verdriet verzachten,”

14dan schrikt U mij met dromen op,

en de beelden die ik zie, jagen me angst aan.

15Liever zou ik gewurgd worden en sterven

dan in dit lichaam blijven.

16Ik kan niet meer, ik zal niet eeuwig leven;

laat mij toch met rust, mijn dagen zijn al vluchtig.

17Waarom acht U de mens zo hoog?

Waarom krijgt hij al die aandacht van U?

18Elke ochtend dringt U zich aan hem op,

U onderzoekt hem, elk ogenblik opnieuw.

19Wanneer wendt U uw blik eens af,

wanneer gunt U mij even rust, zodat ik kan slikken?

20Heb ik gezondigd?

Heb ik U iets misdaan, bespieder van de mens?

Waarom hebt U mij tot mikpunt gekozen?

Ik ben mezelf al tot last.

21Waarom vergeeft U mijn misstappen niet,

waarom gaat U niet voorbij aan mijn schuld?

Weldra zal ik tot stof zijn vergaan,

U zult naar me zoeken, maar ik zal er niet zijn.’

Job 6-7NBV21Open in de Bijbel

1Van wijn word je een spotter, van bier een braller,

wie zich bedrinkt, verliest zijn verstand.

2Als het brullen van een leeuw, zo zijn de dreigementen van een koning,

wie ze in de wind slaat, brengt zijn leven in gevaar.

3Het strekt een mens tot eer om ruzie te vermijden,

een dwaas stort zich in een woordenstrijd.

4Een luiaard ploegt niet in de herfst,

en vraagt zich in de zomer af waarom hij niet kan oogsten.

5Wat omgaat in een mensenhart is als diep verborgen water,

iemand met inzicht brengt het naar boven.

6Velen roemen hun eigen trouw,

maar wie vindt een mens die werkelijk betrouwbaar is?

7Wie rechtvaardig is, leidt een onberispelijk leven,

zijn nageslacht zal gelukkig zijn.

8Als het recht de troon van een koning schraagt,

verjaagt hij met zijn blik elke boosdoener.

9Wie zou kunnen zeggen: ‘Ik heb mijn hart gezuiverd,

ik ben vrij van zonden’?

10Twee gewichten om te wegen, twee maten om te meten,

beide zijn de HEER een gruwel.

11Reeds een kind laat zich kennen door zijn daden,

door wat het doet, zie je of het eerlijk en oprecht is.

12Een oor dat hoort, een oog dat ziet,

de HEER heeft beide gemaakt.

13Slaap niet al te graag, dan word je niet arm,

sta vroeg op, dan heb je genoeg te eten.

14‘Niets waard! Niets waard!’ zegt de koper,

maar als hij weggaat, wrijft hij zich in de handen.

15Goud en edelstenen zijn er genoeg,

maar wijze woorden zijn een zeldzaamheid.

16Als iemand borg wil staan voor een vreemde,

kun je gerust zijn mantel nemen

en die verpanden aan een andere vreemdeling.

17Gestolen voedsel smaakt aanvankelijk goed,

maar later lijkt je mond gevuld met kiezels.

18Overleg doet plannen slagen;

voer een oorlog met beleid.

19Bij een roddelaar is een geheim niet veilig,

laat je niet in met een loslippig mens.

20Als je je vader en moeder vervloekt,

wordt je levenslicht gedoofd in de diepste duisternis.

21Rijkdom die in korte tijd verworven is,

brengt geen zegen voor later.

22Zeg niet: ‘Ik zal dat kwaad vergelden,’

wacht op de HEER, Hij zal je helpen.

23Twee gewichten om te wegen, het is de HEER een gruwel,

een valse weegschaal is een slechte zaak.

24De weg van een mens wordt bepaald door de HEER,

wie weet zelf welke richting hij gaat?

25Wie ondoordacht een gelofte aflegt

en zich pas later afvraagt of hij haar kan houden,

zet een valstrik voor zichzelf.

26Voor een wijze koning zijn goddelozen als kaf,

hij scheidt ze van het koren en verplettert ze.

27Het licht van de HEER beschijnt de geest van de mens,

het dringt door tot in zijn diepste gedachten.

28Liefde en trouw beschermen de koning,

liefde schraagt zijn troon.

29De pracht van jonge mensen is hun kracht,

de sier van oude mensen is hun grijze haar.

30Bloedige striemen doen het kwaad verdwijnen,

slagen zuiveren het innerlijk.

Spreuken 20NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons