Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 28 / Job 4-5, Spr. 19

Bijbeltekst(en)

Elifaz’ eerste betoog

1Toen nam Elifaz uit Teman het woord:

2‘Kun je verdragen dat iemand het woord tot je richt?

Maar wie zou nu kunnen zwijgen?

3Velen stond je bij met raad en daad

en wie de moed ontzonk, heb je gesterkt.

4Je woorden richtten hem die struikelde weer op,

aan knikkende knieën gaf je nieuwe kracht.

5Maar nu word jij beproefd – en je verliest de moed,

nu treft jou het onheil – en je geeft het op.

6Vertrouw je niet op je ontzag voor God,

geeft je onbesproken levenswandel je geen hoop?

7Ken jij onschuldigen die Hij te gronde richtte?

Werden rechtschapenen ooit in het ongeluk gestort?

8Ik heb gezien: wie onrecht ploegt,

wie rampspoed zaait, zal het ook oogsten.

9Eén ademstoot van God, en ze komen om,

één vlaag van zijn woede vaagt ze weg.

10De leeuw brult, de welp gromt,

maar hun tanden worden uitgeslagen.

11De leeuw gaat zonder prooi te gronde,

de jonge leeuwen zwerven hongerend rond.

12Een verholen stem drong tot mij door,

mijn oor ving een fluisteren op

13in de verontrustende visioenen van de nacht,

die de mensen dompelt in een diepe slaap.

14Opeens werd ik door angst gegrepen,

een siddering voer door mijn gebeente.

15Een adem streek langs mijn gezicht

en de haren rezen mij te berge.

16Een verschijning doemde op,

een gestalte voor mijn ogen.

Stilte – toen zei een stem:

17“Kan een sterveling rechtvaardig zijn voor God,

kan een mens smetteloos zijn voor zijn schepper?”

18Zelfs in zijn dienaren stelt God geen vertrouwen,

ook bij zijn engelen bespeurt Hij nog gebreken.

19Hoeveel te meer dan bij de mens, wonend in zijn huis van leem,

met fundamenten in het stof.

Hij is een mot: men drukt hem dood.

20Van de ochtend tot de avond afgepijnigd

gaat hij onbemerkt ten onder, voor eeuwig weggevaagd.

21De koorden van zijn tent zijn losgerukt,

hij sterft en heeft de wijsheid niet gekend.

1Roep dan, is er iemand die jou antwoordt?

Tot wie in de hemel kun jij je wenden?

2Aan ergernis gaat de dwaas ten onder,

van afgunst sterft de domme.

3Ik zag een dwaas die het voor de wind ging,

maar plotseling was zijn huis vervloekt.

4Zijn kinderen vonden hulp noch bescherming,

ze werden in de poort vertrapt en niemand schoot te hulp.

5Wat de dwaas oogst, eet de hongerige,

zelfs tussen dorens haalt hij weg wat hij kan,

en de dorstige smacht naar zijn bezit.

6Nee, niet uit de aarde spruit het kwaad,

niet uit de grond komt het ongeluk voort.

7De mens is voor het ongeluk geboren –

zoals vonken uit het vuur omhoogspatten.

8Ik zou me in jouw plaats tot God wenden,

aan Hem zou ik het oordeel overlaten.

9Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen,

ontelbaar zijn de wonderen die Hij verricht.

10Hij zendt de regen die op aarde valt,

Hij laat het water over de akkers vloeien.

11Onaanzienlijken brengt Hij tot aanzien,

treurenden krijgen krachtige hulp.

12Hij doorkruist de listen van de sluwen,

wat zij ondernemen zal mislukken.

13De wijzen vangt Hij in hun sluwheid,

verraderlijke plannen lopen op niets uit.

14Overdag stuiten ze op duisternis,

ze tasten in de middag rond alsof het nacht is.

15Maar Hij redt de armen van de sterken,

Hij beschermt hen tegen hun dreigende taal.

16Er is hoop voor de weerlozen –

het kwaad wordt de mond gesnoerd.

17Gelukkig de mens die door God wordt getuchtigd;

wijs daarom de straf van de Ontzagwekkende niet af!

18Want Hij verwondt en Hij verbindt,

Hij slaat en zijn handen genezen.

19Zesmaal zal Hij je redden in gevaar,

ook de zevende maal zal je niets overkomen.

20In tijden van honger behoedt Hij je voor de dood,

in tijden van oorlog voor de macht van het zwaard.

21Voor de gesel van de tong ben je veilig,

bij naderend geweld zul je niet bang zijn.

22Met honger en geweld kun je spotten,

wilde dieren hoef je niet te vrezen.

23Je hebt een verbond met de stenen van het veld,

met de dieren van het veld leef je in vrede.

24Je weet dat er vrede in je huis heerst,

je kijkt uit over je weiden – niets ontbreekt je.

25Je weet dat je kroost talrijk zal zijn,

dat je nageslacht de aarde als gras zal bedekken.

26Verzadigd van het leven zul je in het graf dalen,

als een rijpe korenschoof die wordt binnengehaald.

27Dit hebben wij onderzocht, en zo is het;

luister naar ons en neem het ter harte.’

Job 4-5NBV21Open in de Bijbel

1Beter een arme die onberispelijk leeft

dan een leugenaar – zo iemand is dwaas.

2IJver zonder kennis leidt tot niets,

wie overijld te werk gaat, begaat al snel een misstap.

3Dwaasheid brengt een mens op een dwaalspoor,

maar hij verwijt het de HEER.

4Rijkdom maakt veel vrienden,

een arme komt alleen te staan.

5Een valse getuige blijft niet ongestraft,

wie leugens verkondigt, gaat niet vrijuit.

6Velen dingen naar de gunst van een voornaam persoon,

ieder is de vriend van een vrijgevig mens.

7Een arme wordt door al zijn broers gehaat,

meer nog door zijn vrienden, ze gaan hem uit de weg;

als hij een beroep op ze doet, is dat tevergeefs.

8Wie zijn verstand gebruikt, heeft zijn leven lief,

wie zich laat leiden door inzicht, is geluk op het spoor.

9Een valse getuige blijft niet ongestraft,

wie leugens verkondigt, gaat te gronde.

10Weelde past niet bij een dwaas,

nog minder past het dat een slaaf heerst over vorsten.

11Een verstandig mens houdt zijn woede in toom,

het siert hem als hij fouten door de vingers ziet.

12Als het brullen van een leeuw, zo is de woede van een koning,

als dauw op het gras, zo is zijn goedgunstigheid.

13Een dwaze zoon is voor zijn vader een ramp,

het geruzie van een vrouw is als een dak dat altijd lekt.

14Huis en have erf je van je voorouders,

maar een vrouw met inzicht krijg je van de HEER.

15Als je lui bent, verslaap je je tijd,

als je laks bent, zul je honger lijden.

16Wie de geboden naleeft, behoudt zijn leven,

wie de weg van de HEER veracht, zal sterven.

17Wie vrijgevig is voor een arme, leent aan de HEER,

die zal hem zijn weldaad vergoeden.

18Tuchtig je zoon, dan is er hoop,

zo voorkom je dat hij de dood vindt.

19Wie zijn drift niet beheerst, moet boeten,

als je hem ontziet, wordt het alleen maar erger.

20Luister naar raad, laat je terechtwijzen,

uiteindelijk maakt het je wijs.

21Een mens maakt allerlei plannen,

wat wordt uitgevoerd, is het plan van de HEER.

22Trouw is voor de mens het hoogste goed,

je kunt beter arm dan onbetrouwbaar zijn.

23Ontzag voor de HEER beschermt je leven,

je kunt rustig gaan slapen, er overkomt je niets.

24Een luiaard laat zijn hand in de schaal rusten,

hij brengt hem zelfs niet naar zijn mond.

25Straf je een spotter, dan leren onnozelen daarvan,

straf je een verstandig mens, dan groeien diens kennis en inzicht.

26Wie zijn vader mishandelt en zijn moeder wegjaagt

is een onwaardige zoon, die zich misdraagt.

27Mijn zoon, luister maar niet langer naar mijn onderricht

als je mijn wijze woorden in de wind wilt slaan.

28Een onbetrouwbare getuige spot met het recht,

een wetteloze zwelgt in onrecht.

29Voor spotters staat de straf al vast,

voor de rug van dwazen ligt de stok al klaar.

Spreuken 19NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons