Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 266 / Jer. 47-49, Ob.

Bijbeltekst(en)

Profetie over de Filistijnen

1De HEER richtte de volgende woorden tot de profeet Jeremia over de Filistijnen, voordat de farao Gaza innam.

2‘Dit zegt de HEER:

Kijk! Het water zwelt aan uit het noorden,

het wordt een allesverwoestende stortvloed.

Het overstroomt het land en al wat er leeft,

elke stad en allen die daar wonen.

Alle mensen jammeren,

de bevolking schreeuwt het uit.

3Daar klinken de stampende hoeven van machtige paarden,

daar klinkt het gedreun van de strijdwagens

en het ratelen van hun wielen.

Ouders letten niet meer op hun kinderen,

ze staan verlamd van angst.

4Want de dag is aangebroken

om alle Filistijnen uit te roeien,

om Tyrus en om Sidon te beroven

van hun laatste bondgenoot.

De HEER vernietigt alle Filistijnen,

het volk dat ooit van Kreta kwam.

5Gaza heeft zich kaalgeschoren,

Askelon is tot zwijgen gebracht.

Overlevenden van de vlakte,

hoe lang nog kerven jullie je lichaam?

6Hoe lang nog, zwaard van de HEER, blijf je razen?

Kom tot rust, keer naar je schede terug,

wees stil, bedaar.

7Maar hoe zou je kunnen rusten?

De HEER heeft je naar Askelon en de kust gestuurd,

op zijn bevel ben je daarheen gegaan.

Profetie over Moab

1Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over Moab:

Wee Nebo! Het wordt verwoest.

Kirjataïm wordt veroverd en met schande overladen.

Misgab staat te schande en is radeloos.

2Het is met Moabs roem gedaan.

In Chesbon wordt over zijn ondergang beslist,

ze besluiten Moab uit te roeien tot de laatste man.

Ook jij, Madmen, zult worden vernietigd,

het zwaard zal je achterhalen.

3Hoor, uit Choronaïm klinkt gejammer!

Onheil treft het, en grote rampspoed.

4Moab ligt in puin,

de kinderen jammeren luid.

5Klacht op klacht klinkt op de weg omhoog naar Luchit,

noodkreten op de weg omlaag naar Choronaïm.

6Vlucht, inwoners van Moab! Red het vege lijf!

Zie te overleven als een struik in de woestijn!

7Jullie vertrouwden op je prestaties en rijkdom,

daarom wordt het land veroverd.

Kemos gaat in ballingschap,

zijn priesters en de leiders volgen hem.

8De vijand plundert alle steden,

geen stad ontgaat dat lot.

De Jordaanvallei is reddeloos verloren,

vernietigd wordt de hoogvlakte

– de HEER heeft het gezegd.

9Geef Moab toch vleugels,

dan kan het wegvluchten!

Zijn steden worden een woestenij,

geen mens kan er meer wonen.

10Vervloekt is wie de opdracht van de HEER halfslachtig uitvoert,

vervloekt is wie zijn zwaard het bloed ontzegt.

11Moab had vanaf zijn jeugd geen zorgen,

het was als wijn die op zijn droesem rustte.

Nooit werd het van het ene in het andere vat gegoten,

nooit ging het in ballingschap.

Daarom is zijn smaak zo goed gebleven,

is zijn geur zo onbedorven.

12Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat Ik wijnmeesters zal sturen

die de wijn gaan overgieten,

de vaten zullen legen,

de kruiken zullen stukslaan.

13Dan wordt Moab door Kemos teleurgesteld,

zoals Israël door Betel werd teleurgesteld,

die god waarin het zijn vertrouwen stelde.

14Mannen uit Moab, hoe durven jullie te beweren:

“Wij zijn eersteklas soldaten, heldhaftig en strijdlustig”?

15Moab zal zijn verwoesting niet ontlopen.

De vijand voert een stormloop op de steden uit,

de keurtroepen van Moab worden afgeslacht

– spreekt de koning wiens naam is HEER van de hemelse machten.

16De ondergang van Moab is nabij,

onheil treft het nu zeer snel.

17Buurlanden, klaag om Moab.

Allen die het zo bewonderden, hef dit klaaglied aan:

“Ach, nu is hij gebroken,

die schitterende staf, die luisterrijke scepter.”

18Kom van je verheven zetel af, vrouwe Dibon,

en je zult van dorst versmachten.

Moabs vernietiger trekt tegen je op

en zal je vestingen verwoesten.

19Ga bij de weg op de uitkijk staan,

inwoners van Aroër.

Vraag de vluchtelingen: “Wat is er gebeurd?”

20“Moab is met schande overladen, het is radeloos.

Barst uit in gejammer, schreeuw het uit!

Vertel het in het Arnondal: Moab is verwoest.”

21Het vonnis is geveld over de hoogvlakte,

over Cholon, Jahas en Mefaät,

22over Dibon, Nebo en Bet-Diblataïm,

23over Kirjataïm, Bet-Gamul en Bet-Meon,

24over Keriot en Bosra,

over elke andere stad van Moab, ver weg of dichtbij.

25Het is uit met Moabs machtsvertoon,

gebroken is zijn machtige arm – spreekt de HEER.

26Voer het dronken, het heeft de HEER getart.

Het zal graaien in zijn eigen braaksel,

het wordt nu zelf bespot.

27Moab, heb je Israël niet altijd uitgelachen,

gehoond als een betrapte dief?

Wees je het niet spottend na?

28Ontvlucht de steden, inwoners van Moab.

Houd je schuil in grotten,

nestel je als duiven in de rotswanden.

29Wij weten hoe hoogmoedig Moab is –

wat is het hooghartig.

Wij kennen zijn trots, zijn eigendunk,

zijn zelfgenoegzaamheid, zijn grenzeloze eigenwaan.

30Ik weet – spreekt de HEER – hoe verwaand het is.

Maar Moabs grootspraak stoelt op niets,

zijn daden stellen niets voor.

31Daarom zal Ik jammeren om Moab,

zal Ik huilen om dat hele land.

Ik zal treuren om de inwoners van Kir-Cheres.

32En om jullie, wijnstokken van Sibma,

zal Ik luider huilen dan om Jazer.

Je ranken zijn zo groot,

ze reiken tot voorbij de Dode Zee.

Ze reiken zelfs tot aan het waterbekken van Jazer.

Maar je zomervruchten en je wijnoogst

vallen ten prooi aan plunderaars.

33Dan zal de vreugdezang verstommen

in alle boomgaarden van Moab.

Er zal geen wijn meer in de kuipen zijn.

Ik maak een einde aan het treden van de druiven,

aan de vreugdekreten van de druiventreders.

34Chesbon jammert. Men hoort het in Elale.

Tot aan Jahas klinkt zijn klagen,

van Soar tot aan Choronaïm,

tot aan Eglat-Selisia.

Want zelfs de beek van Nimrim wordt een dorre geul.

35Moab zal niet meer offeren op de hoogten,

geen wierook branden voor zijn goden – spreekt de HEER.

36Moabs rijkdom zal vergaan.

Daarom klaagt mijn hart als een schalmei om Moab,

ja, zo klaagt het over de inwoners van Kir-Cheres.

37Ieder hoofd is kaalgeschoren,

elke baard wordt afgeknipt,

alle handen zijn gekerfd,

ieder hult zich in een rouwkleed.

38Op alle daken, alle pleinen wordt gerouwd.

Want Ik verbrijzel Moab

als een kruik die nergens meer toe dient

– spreekt de HEER.

39Hef een klaaglied aan:

“Ach, hoe ligt Moab daar verbrijzeld,

beschaamd wendt het zijn gezicht af.

Het is een voorwerp van spot en verbijstering

voor alle volken rondom.”

40Dit zegt de HEER:

De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Moab cirkelt.

41De steden worden ingenomen,

de vestingen veroverd.

Moabs helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

42Moab wordt vernietigd tot de laatste man,

want het heeft de HEER getart.

43Verschrikking, valkuil en vangnet

wacht jullie daar, inwoners van Moab – spreekt de HEER.

44Wie vlucht voor de verschrikking, zal vallen in de kuil,

wie uit de kuil weet te klimmen, raakt gevangen in het net.

Want Ik laat de dag komen – spreekt de HEER –

dat Ik met Moab zal afrekenen.

45Vluchtelingen blijven uitgeput onder Chesbons muren staan,

want vuur verspreidt zich vanuit Chesbon,

een vlam uit de stad van Sichon.

Het verbrandt de slapen van Moab,

verteert de schedel van die snoevers.

46Wee jou, Moab!

Het volk van Kemos gaat ten onder.

Je zonen worden meegevoerd,

je dochters buitgemaakt.

47Maar eens zal Ik in Moabs lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’

Tot zover het vonnis over Moab.

Profetie over Ammon

1‘Dit zegt de HEER over de Ammonieten:

De god Milkom heeft Gad in bezit genomen,

zijn volk woont nu in de steden van die stam!

Heeft Israël dan geen eigen zonen?

Heeft het zelf geen erfgenamen?

2Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat Ik Rabbat-Ammon dreunen laat van krijgsgeschreeuw.

Het valt in puin en wordt een woestenij,

de dorpen gaan in vlammen op.

Dan neemt Israël bezit van zijn bezetter

– spreekt de HEER.

3Barst uit in gejammer, Chesbon,

want Ai wordt verwoest.

Schreeuw het uit, vrouwen van Rabba,

weeklaag, hul je in het zwart.

Ren radeloos rond in de velden,

want Milkom gaat in ballingschap.

Priesters en leiders volgen hem.

4Ammon, waarom poch je zo op je valleien,

je velden die zo vruchtbaar zijn?

Eigenzinnig volk van Ammon,

jullie wanen je zo veilig met je voorraden

dat jullie zeggen: “Niemand kan ons aan.”

5Ik breng verschrikking over jullie,

die je van alle kanten overvallen zal

– spreekt God, de HEER van de hemelse machten.

Jullie worden overal heen verdreven,

niemand verenigt jullie weer.

6Maar eens zal Ik in Ammons lot een keer brengen

– spreekt de HEER.

Profetie over Edom

7Dit zegt de HEER van de hemelse machten over Edom:

Is er geen wijsheid meer in Teman,

gaat men daar niet langer met verstand te werk,

is elk inzicht daar verdwenen?

8Vlucht, vlucht weg, inwoners van Dedan,

zoek een diep verborgen schuilplaats.

Ik breng onheil over Esaus nageslacht,

het tijdstip is gekomen dat Ik met hen afreken.

9Als er druivenplukkers komen,

snijden ze niet alle trossen af.

Als er dieven komen in de nacht,

stelen ze alleen wat hun van pas komt.

10Maar Ik pluk het land van Esau kaal,

elke schuilplaats leg Ik bloot.

Niemand kan zich nog verbergen,

heel het nageslacht van Esau wordt verdelgd.

Niemand overleeft, geen broers, geen buren.

11Niemand zegt: “Vertrouw de wezen toe aan mij,

ik zal voor ze zorgen.

Laat de weduwen op mij vertrouwen.”

12Dit zegt de HEER: Zelfs zij voor wie het oordeel om uit de beker te drinken niet gold, zullen eruit drinken. Denk jij dan je straf te ontlopen? Nee, je zult niet vrijuit gaan: drinken zul je! 13Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER – dat Bosra een verschrikkelijke woestenij wordt, een plaats die wordt bespot en waarvan de naam als een vloek wordt gebruikt, en dat alle steden eromheen voor altijd in puin zullen liggen.’

14‘De HEER heeft een bode gestuurd naar alle volken,

ook ik heb zijn boodschap gehoord:

“Sluit je aaneen, trek ten strijde tegen Edom!”’

15‘De HEER zegt over Edom:

Ik maak van jou een onbeduidend volk,

veracht door iedereen.

16Door je hoogmoed heb je je laten verleiden,

door je ongenaakbaarheid.

Je woont daar hoog in de rotskloven,

de hoogste bergtoppen houd je bezet.

Maar al bouw je als een adelaar een hooggelegen nest,

dan nog haal Ik je neer – spreekt de HEER.

17Dan zal Edom een verschrikkelijke plaats zijn. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat het getroffen heeft, ieder stokt de adem in de keel. 18Het wordt volkomen verwoest – zegt de HEER – zoals Sodom en Gomorra en de naburige steden werden verwoest. Niemand zal meer in Edom wonen, geen mens zal er nog verblijven.

19Zoals een leeuw vanuit het struikgewas bij de Jordaan

de kudden op hun weidegronden overvalt,

zo val Ik Edom binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou Ik het laten beschermen?

Wie is als Ik, wie kan Mij trotseren?

Welke herder houdt tegen Mij stand?

20Luister daarom naar het besluit van de HEER

dat Hij over Edom heeft genomen.

Hoor wat Hij voor Teman in gedachten heeft.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

21De aarde beeft van Edoms val,

het gejammer klinkt tot aan de Rode Zee.

22De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Bosra cirkelt.

Edoms helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

Profetie over Damascus

23Over Damascus.

Hamat en Arpad zijn ontredderd,

de bevolking heeft rampzalig nieuws gehoord.

Zoals de zee wordt opgezweept,

zo woelt de angst in hen.

Rust is ver te zoeken.

24Damascus heeft de moed verloren,

zij is op de vlucht geslagen,

aangegrepen door paniek.

Wanhoop en weeën overweldigen haar,

als een vrouw in barensnood.

25Ach, hoe verlaten ligt Damascus,

die schitterende stad waarin Ik vreugde vond.

26De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

27Ik zal de muren van Damascus in vlammen doen opgaan,

vuur verteert de burchten van Benhadad.

Profetie over Kedar en de koninkrijken van Chasor

28Dit zegt de HEER over Kedar en de koninkrijken van Chasor, die door koning Nebukadnessar van Babylonië werden veroverd:

Vooruit, trek op tegen Kedar,

verdelg die stammen uit het oosten.

29Roof hun tenten, geiten, schapen,

neem alles mee wat ze bezitten.

Maak hun kamelen en tentdoeken buit,

schreeuw en zaai overal paniek.

30Inwoners van Chasor, vlucht,

zwerm uit naar alle kanten,

zoek een diep verborgen schuilplaats – spreekt de HEER.

Koning Nebukadnessar van Babylonië

heeft tegen jullie kwaad in de zin,

hij heeft zijn plannen tegen jullie klaar.

31Vooruit, trek op tegen dat zorgeloze volk

dat zich veilig waant – spreekt de HEER –,

dat poorten noch grendels heeft,

en leeft in afgelegen streken.

32Hun kamelen worden buitgemaakt,

heel hun veestapel geroofd.

Ik zal die stammen met hun kaalgeschoren slapen

in elke windrichting verstrooien.

Ik breng van alle kanten onheil

– spreekt de HEER.

33Chasor wordt een oord voor jakhalzen,

het wordt voor altijd een woestenij.

Niemand zal daar wonen,

geen mens zal er nog verblijven.’

Profetie over Elam

34De HEER richtte tot de profeet Jeremia de volgende woorden over Elam, in het begin van de regering van koning Sedekia van Juda:

35‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ik zal Elams bogen breken,

het wapentuig waarop zijn macht berust.

36Ik laat vier stormen over Elam komen,

uit alle vier de hoeken van de hemel.

Ik zal dat volk in elke windrichting verstrooien,

geen land waar men de ballingen niet ziet.

37Ik jaag hun een dodelijke angst aan voor de vijand,

hun vijand die hun naar het leven staat.

In mijn brandende toorn breng Ik onheil over hen

– spreekt de HEER.

Ik achtervolg hen met het zwaard,

totdat Ik hen vernietigd heb.

38Dan zal Ik mijn troon in Elam vestigen,

en koning en leiders wegvagen – spreekt de HEER.

39Maar eens zal Ik in Elams lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’

Jeremia 47-49NBV21Open in de Bijbel

1Visioen van Obadja.

De HEER heeft een bode gestuurd naar alle volken; ook wij hebben zijn boodschap gehoord: ‘Kom, laten we ten strijde trekken tegen Edom!’

Dit is wat God, de HEER, over dat volk zegt:

2Ik maak van jou een onbeduidend volk,

verfoeid en veracht.

3Door je hoogmoed heb je je laten verleiden:

hoog woon je, hoog in de rotskloven,

daar heb je je huis gebouwd,

en je denkt: Wie haalt mij naar beneden?

4Maar al vlieg je zo hoog als een adelaar,

al bouw je je nest in de sterren,

dan nog haal Ik je neer

– spreekt de HEER.

5Komen er dieven, rovers in de nacht –

ze stelen alleen wat hun van pas komt.

Maar Edom, jij bent leeggeroofd!

En komen er druivenplukkers –

niet alle trossen snijden ze af.

6Maar Esaus volk is uitgeschud,

zijn schuilplaatsen geplunderd!

7Bondgenoten verdreven je uit je eigen land,

vrienden hebben je verraden en verslagen,

tafelgenoten lokken je in de val,

en jij blijft verbijsterd achter.

8De dag komt – spreekt de HEER – dat Ik de wijzen in Edom zal doden, zodat er in het bergland van Esau niemand meer is met enig verstand. 9De helden van Teman zullen verlamd staan van schrik; in het bergland van Esau wordt iedereen omgebracht, niemand blijft in leven. 10Je hebt je tegen het volk van Jakob gekeerd, geweld gebruikt tegen je eigen broeder. Daarom zul je met schande worden overdekt en voor altijd worden uitgeroeid.

11Op de dag dat je toekeek hoe andere volken de bezittingen van je broeder wegsleepten, hoe vreemdelingen de stadspoorten binnengingen en het lot wierpen over Jeruzalem, toen stond jij aan hun kant. 12Die dag had je je niet mogen verlustigen in de rampspoed die je broeder trof, je had je niet mogen verheugen over de ondergang van het volk van Juda, en op die dag van angst had je hen niet mogen bespotten. 13Die dag had je de poorten van de stad niet binnen mogen gaan, je had je op die dag van onheil niet mogen verlustigen in het kwaad dat mijn volk werd aangedaan, en op die dag van ongeluk had je je niet mogen vergrijpen aan hun bezittingen. 14Op die dag van angst had je de mensen die vluchtten de weg niet mogen versperren om ze te doden, en hen die ontkomen waren niet mogen uitleveren. 15Maar de dag van de HEER is nabij voor alle volken; dan zal met jou gedaan worden wat jij met hen gedaan hebt, dan zullen je daden op je eigen hoofd neerkomen.

16Zoals jullie, volk van Jakob, op mijn heilige berg de beker van mijn woede moesten drinken, zo zal ieder volk die drinken. Ze zullen moeten drinken tot ze niet meer kunnen, en het zal zijn alsof ze nooit hadden bestaan. 17Maar jullie vinden een toevlucht op de Sion; de Sion wordt weer een heilige plaats. Het volk van Jakob zal bezit nemen van zijn bezetters: 18Jakobs volk zal het vuur zijn, Jozefs volk de vlam, en het volk van Esau de stoppels. De stoppels gaan in vlammen op, het vuur zal ze verteren, en niemand van Esaus volk zal ontkomen – de HEER heeft gesproken.

19Het volk van Jakob zal vanuit de Negev het bergland van Esau in bezit nemen, en vanuit het heuvelland het gebied van de Filistijnen; het zal de gebieden van Efraïm en Samaria in bezit nemen, en vanuit Benjamin het gebied van Gilead. 20De ballingen uit Israël, een legermacht geworden, zullen het land van de Kanaänieten veroveren tot aan Sarefat, en de ballingen uit Jeruzalem, nu nog in Sefarad, zullen de steden van de Negev in bezit nemen. 21Bevrijders zullen de Sion op gaan en regeren over het bergland van Esau – en aan de HEER zal het koningschap toebehoren.

Obadja 1NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons