Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 267 / Jer. 50-52, Ps. 89

Bijbeltekst(en)

Profetie over Babylonië

1De HEER sprak bij monde van de profeet Jeremia de volgende woorden over Babel en Chaldea:

2‘Steek een vaandel op voor de volken,

laat overal horen, geef het door,

houd het niet verborgen, maak bekend:

Babel wordt veroverd,

Bel wordt te schande gemaakt,

Marduk is ten einde raad.

Babels beelden staan te schande,

zijn afgoden zijn radeloos.

3Want een volk rukt op uit het noorden,

het maakt Babel tot een woestenij.

Niets of niemand zal er meer wonen,

ieder mens, elk dier is op de vlucht geslagen.

4In die dagen, in die tijd,

keert het volk van Israël terug,

samen met het volk van Juda

– spreekt de HEER.

In tranen zullen ze op weg gaan

om de HEER, hun God, te zoeken.

5Ze zullen vragen welke weg naar Sion leidt

en richten hun schreden ernaartoe.

Ze zullen aankomen

en zich opnieuw verbinden met de HEER,

in een verbond dat eeuwig duurt

en nooit zal worden vergeten.

6Mijn volk was een dolende kudde schapen,

hun herders lieten hen dwalen,

ze dreven hen de bergen in.

Daar dwaalden ze over heuvels en bergen,

ze vergaten waar hun schaapskooi was.

7Voor wie hun pad kruisten, waren ze een prooi.

Hun belagers zeiden: “Wij maken ons niet schuldig,

zijzelf hebben gezondigd tegen de HEER,

hun ware weidegrond,

tegen de HEER,

de bron van hoop voor hun voorouders.”

8Maar vlucht nu weg uit Babel,

verlaat het land van de Chaldeeën!

Vlucht, als bokken voor de kudde uit.

9Want Ik breng grote volken samen

en vuur ze aan om tegen Babel op te trekken.

Ze komen uit het noorden, belegeren de stad,

ze wordt door hen veroverd.

Ze hebben uitmuntende schutters,

hun pijlen treffen altijd doel.

10Chaldea wordt de prooi van plunderaars,

naar hartenlust roven ze – spreekt de HEER.

11Chaldeeën, jullie hebben mijn bezit geplunderd.

Ook al waren jullie toen vol blijdschap,

ook al hieven jullie vreugdekreten aan,

ook al sprongen jullie op als kalveren die mogen dorsen,

hinnikten jullie als hengsten –

12jullie moeder zal te schande staan,

de vrouw die je gedragen heeft, wordt vernederd.

Ze wordt de geringste onder de volken,

een uitgedroogde vlakte, een dorre woestijn.

13Door de toorn van de HEER wordt Babel ontvolkt,

heel de stad wordt een woestenij.

Ieder die daar komt zal huiveren,

de adem stokt hem in de keel

om het onheil dat haar heeft getroffen.

14Stel je op in slagorde rond Babel!

Boogschutters, leg aan,

spaar je pijlen niet,

want Babel heeft tegen de HEER gezondigd.

15Hef strijdkreten aan, omsingel de stad,

ze zal zich overgeven.

De torens storten in, de muren worden geslecht.

Voltrek aan de stad de wraak van de HEER,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

16Dood de zaaiers van Babel,

roei de maaiers in de oogsttijd uit.

Door het moordend geweld vlucht ieder naar zijn eigen volk,

keert ieder naar zijn eigen land terug.

17Israël was een dolend schaap,

door leeuwen van de kudde verdreven.

Eerst viel het ten prooi aan de koning van Assyrië,

een ander kloof daarna de botten af:

Nebukadnessar, de koning van Babylonië.

18Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ga de koning van Babylonië en zijn land straffen, zoals Ik de koning van Assyrië heb gestraft, 19en Ik zal Israël terugbrengen naar zijn weidegrond. Het zal weer op de Karmel en de Basan grazen, en het zal in het bergland van Efraïm en Gilead zijn honger stillen. 20In die dagen, in die tijd, zal Ik onderzoeken of er nog wandaden op Israëls rekening staan. Ze zullen er niet zijn – spreekt de HEER. En Ik zal onderzoeken of Juda nog zonden op zijn rekening heeft staan. Ik zal ze niet vinden, want allen die Ik in leven laat, zal Ik vergeven.

21Trek op tegen Merataïm,

ruk op tegen de inwoners van Pekod.

Volg ze, vel ze en vernietig ze – spreekt de HEER –,

doe alles wat Ik jullie heb bevolen.

22Hoor! Het land is vol wapengekletter,

het gaat gebukt onder oorlogsgeraas.

23Ach, nu is de hamer die de hele aarde sloeg,

gespleten en verbrijzeld.

Ach, nu is Babel zelf een schrikbeeld voor elk volk.

24Babel, je hebt jezelf een val gezet

en bent gevangen, zonder het te merken.

Je bent gestrikt, kunt nergens heen,

want je hebt de HEER getart.

25De HEER heeft zijn wapenkamer geopend,

Hij heeft in zijn woede zijn wapens gegrepen.

God, de HEER van de hemelse machten,

doet zijn krijgswerk in Chaldea.

26Val Babel aan! Val aan van alle kanten!

Breek de voorraadschuren open,

gooi alles op een hoop, als was het graan.

Vernietig alles, niets mag overblijven.

27Snijd alle leiders van Babel de keel af,

voer ze naar de slachtbank, al die stieren.

Wee hun! Hun laatste uur is aangebroken,

het moment waarop met hen wordt afgerekend, is gekomen.

28Luister naar de vluchtelingen

die uit Babel zijn ontkomen.

In Sion brengen zij de boodschap:

“Dit is de wraak van de HEER, onze God.

Hij heeft zijn tempel gewroken.”

29Stuur boogschutters naar Babel,

sla het beleg voor de stad,

laat niemand ontkomen.

Vergeld wat ze heeft aangericht,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

Ze was hoogmoedig tegenover de HEER,

de Heilige van Israël.

30De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER.

31Ik zal je straffen, hoogmoedige stad

– spreekt God, de HEER van de hemelse machten –,

de dag dat Ik met je afreken is nu gekomen.

32In je hoogmoed zul je struikelen en vallen,

niemand helpt je overeind.

De steden om je heen doe Ik in vlammen opgaan,

heel het land wordt verteerd door vuur.

33Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ook al wordt het volk van Israël verdrukt,

samen met het volk van Juda,

ook al houdt hun vijand hen vast

en mogen ze van hem niet gaan –

34hun bevrijder is sterk.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten!

Hij zal zeker voor hun recht opkomen.

Hij zal op aarde rust brengen,

maar de inwoners van Babel zal Hij van hun rust beroven.

35Het zwaard treft de Chaldeeën – spreekt de HEER –,

de inwoners van Babel, leiders en wijzen.

36Het zwaard treft de orakelpriesters, ze staan voor schut.

Het zwaard treft de strijders, ze staan verlamd van angst.

37Het zwaard treft paarden en wagens,

en Babels huurlingen worden als vrouwen.

Het zwaard treft alle voorraadkamers, ze worden geplunderd.

38Een verzengende hitte treft alle rivieren, ze vallen droog.

Het is een land vol afgodsbeelden,

het wordt door demonen tot waanzin gedreven.

39Er zullen daarom woestijndieren en hyena’s wonen,

er zullen struisvogels in ruïnes huizen.

Nooit meer zullen er mensen wonen,

het blijft ontvolkt tot in het verste nageslacht.

40Babel wordt volkomen verwoest,

zoals Sodom, Gomorra en de naburige steden

door God zijn verwoest

– spreekt de HEER.

Niemand zal daar meer wonen,

geen mens zal er nog verblijven.

41Er nadert een volk uit het noorden,

een grote overmacht.

Vele koningen, van de einden der aarde,

worden aangevuurd tot de strijd.

42Ze houden boog en zwaard gereed,

wreed zijn ze, meedogenloos.

Hun krijgsrumoer klinkt als een bulderende zee,

ze komen op paarden aangestormd.

Hun leger staat in slagorde,

als één man gereed voor de strijd.

Het richt zich, Babel, tegen jou!

43De koning hoort van hun komst,

zijn handen beginnen te trillen.

Angst en paniek overvallen hem,

zoals weeën een barende vrouw.

44Zoals een leeuw vanuit het struikgewas bij de Jordaan

de kudden op hun weidegronden overvalt,

zo val Ik Babel binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou Ik het laten beschermen?

Wie is als Ik, wie kan Mij trotseren?

Welke herder houdt tegen Mij stand?

45Luister daarom naar het besluit van de HEER

dat Hij over Babel heeft genomen.

Hoor wat Hij met Chaldea van plan is.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

46“Babel is gevallen!” Van die tijding beeft de aarde,

alle volken horen het gejammer en geschreeuw.

1Dit zegt de HEER:

Ik ontketen een vernietigende storm over Babel,

over de bevolking van Leb-Kamai.

2Ik stuur vreemde volken op hen af.

Die zullen hen uiteenslaan,

ze plunderen het hele land.

Op die onheilsdag

komen ze van alle kanten op hen af.

3Laat de boogschutters hun pijlen richten

op ieder die de boog spant tegen hen,

ieder die het harnas aangordt.

Spaar zelfs de jongste strijders niet,

vernietig heel het leger.

4In Chaldea zullen velen sneuvelen,

ze liggen doorstoken in de straten,

5want het land boet voor zijn schuld

jegens de Heilige van Israël.

God laat Israël niet als weduwe achter,

de HEER van de hemelse machten laat Juda niet in de steek.

6Vlucht uit Babel, red het vege lijf,

ontloop de straf voor Babels schuld.

Dit is het tijdstip dat de HEER zich wreekt,

de stad krijgt haar verdiende loon.

7Babel was een gouden beker in de hand van de HEER,

een beker die de hele wereld dronken voerde.

Alle volken dronken van de wijn,

daardoor zijn ze zo waanzinnig.

8Plotseling valt Babel, ze ligt verbrijzeld.

Hef over haar een klaaglied aan!

Haal balsem die haar pijn verlicht,

misschien geneest ze nog.

9Maar men zal antwoorden:

“We hebben geprobeerd haar te genezen, ze was niet te redden.

Laat haar achter, wij gaan terug naar ons eigen land.

Deze straf gaat elke aardse maat te boven,

dit vonnis reikt tot aan de wolken.”

10Israël zal zeggen:

“De HEER heeft onze rechten hersteld.

Kom, laten we in Sion vertellen

wat de HEER, onze God, heeft gedaan.”

11De HEER heeft de koningen van Medië aangevuurd,

zijn doel is de vernietiging van Babel.

Dit is de wraak van de HEER,

Hij wreekt zijn tempel.

Mannen, scherp de pijlen, vul de kokers.

12Steek tegen Babels muren de strijdvaan op.

Versterk het beleg, zet wachtposten uit.

Laat stoottroepen hun stellingen betrekken.

De HEER doet wat Hij aangekondigd heeft,

Hij doet met Babel wat Hij heeft besloten.

13Volk van Babel, je woont tussen grote rivieren,

te midden van grote rijkdommen,

maar je einde is gekomen,

je levensdraad wordt doorgesneden.

14De HEER van de hemelse machten heeft bij zichzelf gezworen:

Ik bedek dat land met vijanden, als sprinkhanen zo talrijk,

ze heffen strijdkreten tegen je aan.’

15Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht,

de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid,

de hemel heeft gespannen met zijn inzicht –

16als Hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer.

Wolken wekt Hij aan de einder,

bliksems smeedt Hij, de regen valt,

Hij laat de wind los uit zijn schatkamers.

17Maar de mens is dwaas, het ontbreekt hem aan inzicht.

De goudsmid staat beschaamd vanwege zijn beelden:

zijn gietsels zijn bedrog, ze ademen niet,

18nietige, bespottelijke maaksels zijn het.

Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over.

19Hoe anders is Hij, Jakobs enig bezit,

Hij die alles vorm gegeven heeft

en aan wie het volk van Israël behoort.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten.

20‘Babel, je was mijn strijdhamer,

mijn wapen in de strijd.

Met jou verbrijzelde Ik volken,

vernietigde Ik koninkrijken.

21Met jou verbrijzelde Ik paarden en ruiters,

vernietigde Ik wagens en menners.

22Met jou verbrijzelde Ik mannen en vrouwen,

vernietigde Ik jong en oud.

Met jou verbrijzelde Ik jongens en meisjes,

23vernietigde Ik herders en kudden.

Met jou verbrijzelde Ik boeren en ploegossen,

vernietigde Ik bestuurders en bevelhebbers.

24Israël, Ik zal ze laten boeten,

de inwoners van Babel en Chaldea,

voor alles wat ze voor jouw ogen in Sion hebben aangericht

– spreekt de HEER.

25Babel, berg die alles vernietigt,

die heel de aarde verwoest,

Ik zal je straffen – spreekt de HEER.

Ik hef mijn hand tegen je op,

Ik werp je van de rotsen naar beneden,

Ik maak van jou een berg van as.

26Niemand zal nog een hoeksteen uit je kappen,

of stenen voor een fundament.

Je wordt voor altijd een woestenij – spreekt de HEER.

27Steek overal op aarde de strijdvaan op.

Blaas de ramshoorn onder alle volken,

in het rijk van Ararat, Minni en Askenaz.

Bereid ze voor op de strijd tegen Babel.

Stel officieren aan die de veldtocht leiden.

Laat woeste paarden aanstormen, als een bende sprinkhanen.

28Bereid vele volken voor op de strijd,

de koningen van Medië, bestuurders en bevelhebbers,

alle landen onder hun heerschappij.

29De aarde siddert en beeft.

De HEER voert zijn plannen tegen Babel uit:

Hij maakt het land tot een onbewoonde woestenij.

30De Babyloniërs staken de strijd,

de soldaten komen hun forten niet meer uit.

Hun kracht verdampt, ze worden als vrouwen.

De huizen worden in brand gestoken,

de sluitboom van de stadspoort wordt verbrijzeld.

31Boodschapper na boodschapper komt aangesneld,

boden rennen af en aan en melden de koning:

“De vijand dringt de stad van alle kanten binnen,

32de bruggen zijn al genomen,

de moerassen staan in brand,

het leger is ten einde raad.”

33Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël:

Babel is een dorsvloer die wordt aangestampt.

Nog even, en het graan wordt gedorst.

34“Koning Nebukadnessar van Babylonië

heeft mij in stukken gereten, opgevreten.

Hij heeft van mij een lege schotel gemaakt.

Als een krokodil heeft hij me opgeslokt.

Hij heeft zijn buik gevuld met mijn beste vlees

en me daarna weggegooid,”

zegt Israël.

35“Moge Babel boeten

voor het geweld dat het ons heeft aangedaan,”

roepen Sions inwoners.

“Moge de bevolking van Chaldea boeten

voor het bloed dat ze vergoten heeft,”

roept Jeruzalem.

36Daarom – dit zegt de HEER:

Ik zal voor jullie recht opkomen,

Ik zal jullie wreken.

Ik zal de Eufraat laten opdrogen,

de watertoevoer leg Ik droog.

37Babel wordt een berg van puin, een oord voor jakhalzen.

Het is huiveringwekkend, ademstokkend,

geen mens verblijft er nog.

38Nu nog brullen ze als leeuwen,

nu nog grommen ze als welpen.

39Maar als ze hongeren en dorsten,

zet Ik hun een feestmaal voor.

Ik giet ze vol met wijn,

tot ze waggelen en lallen.

Dan vallen ze voorgoed in slaap,

ze worden nooit meer wakker

– spreekt de HEER.

40Als lammeren leid Ik ze naar de slachtbank,

als rammen en bokken.

41Ach, nu is Sesach veroverd,

nu is het sieraad van de hele aarde ingenomen,

nu is Babel een schrikbeeld voor elk volk.

42Een zee rijst op tegen Babel,

het wordt overspoeld door machtige golven.

43De steden eromheen worden een woestenij,

een uitgedroogde vlakte, een dorre woestijn.

Niemand zal er wonen,

geen mens trekt erdoorheen.

44Ik zal Bel, de god van Babel, straffen.

Ik dwing hem heel zijn prooi weer uit te braken,

de toestroom van de volken is voorbij.

Babels muren zullen vallen!

45Vlucht, mijn volk, ontvlucht de stad,

laat ieder vluchten voor de brandende toorn van de HEER.

46Laat het hoofd niet hangen, wees niet bang

voor geruchten her en der.

Dit jaar gaat er een bang gerucht,

het volgend jaar gaat er een ander.

Het land wordt overspoeld door geweld,

heersers vechten tegen heersers.

47Maar houd voor ogen dat de tijd zal komen

dat Ik de afgoden van Babel zal straffen.

Heel het land is dan ontredderd,

de straten zijn bezaaid met lijken.

48Als de verwoester uit het noorden aanstormt,

juichen hemel en aarde over Babels lot,

al wat er in de hemel en op aarde leeft

– spreekt de HEER.

49Babel zelf moet vallen,

zoals tallozen door Babel vielen,

in Israël, ja overal ter wereld.

50Jullie die aan het zwaard ontkomen zijn,

vlucht verder, blijf niet staan.

Al zijn jullie nog ver van huis,

noem de naam van de HEER,

richt je gedachten enkel op Jeruzalem.

51Al zeggen jullie ook:

“Wij schamen ons, we werden bespot,

wat werden we vernederd

toen de tempel van de HEER door vreemden werd geschonden” –

52de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat Ik hun afgoden zal straffen.

In heel hun land zullen de gewonden kermen.

53Ook al reikt hun stad tot aan de hemel,

ook al bouwt men torenhoge vestingen,

Ik stuur een vijand die haar zal verwoesten

– spreekt de HEER.

54Vanuit Babel zal gejammer klinken,

in Chaldea klinkt oorlogsgeraas.

55De HEER verwoest Babel,

Hij maakt een einde aan het feestgedruis.

Zijn troepen overspoelen het als donderende golven.

56Een verwoester trekt op tegen Babel,

de soldaten worden gevangengenomen,

hun bogen stukgebroken.

Want de HEER is een God die wreekt,

zijn vergelding kan niet worden afgewend.

57Ik zal Babels leiders en wijzen,

bestuurders, bevelhebbers en soldaten dronken voeren.

Ze vallen voorgoed in slaap,

ze worden nooit meer wakker

– spreekt de koning wiens naam is HEER van de hemelse machten.

58Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Babels brede muren worden tot de laatste steen gesloopt,

zijn hoge poorten gaan in vlammen op.

De volken zwoegen voor niets,

de naties matten zich af voor een verslindend vuur.’

59Hier volgt de opdracht van Jeremia aan Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Seraja was hofmaarschalk van koning Sedekia van Juda. Hij vergezelde koning Sedekia naar Babel, in het vierde jaar van diens regering. 60Jeremia had zijn profetie over het onheil dat Babel zou treffen, alles wat hiervoor beschreven staat, in een boekrol opgeschreven. 61Hij zei tegen Seraja: ‘Als u in Babel bent aangekomen, moet u deze hele boekrol voorlezen. 62Verder moet u het volgende zeggen: “HEER, U bent het die heeft aangekondigd dat Hij deze stad gaat vernietigen. Niets of niemand zal er meer wonen, mens noch dier, ze wordt voor altijd een woestenij.” 63Nadat u de boekrol helemaal voorgelezen hebt, moet u hem aan een steen vastmaken en in de Eufraat gooien. 64Zeg dan: “Zo zal Babel verzinken en nooit meer bovenkomen. Door het onheil dat Ik, de HEER, over Babel breng zal het ten onder gaan.”’

Hier eindigen de profetieën van Jeremia.

De verwoesting van Jeruzalem

1Sedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jirmeja, uit Libna. 2Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals Jojakim. 3De HEER was zo woedend op Jeruzalem en Juda dat Hij ze uiteindelijk verstootte.

Sedekia kwam tegen de koning van Babylonië in opstand. 4In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger bij Jeruzalem aan. Ze sloegen er hun kamp op en wierpen een wal op rondom de stad. 5Het beleg van de stad duurde tot in het elfde regeringsjaar van koning Sedekia. 6Op de negende dag van de vierde maand – de hongersnood in de stad was ondraaglijk geworden, er was voor de bevolking niets meer te eten – 7werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten alle soldaten ’s nachts te ontkomen. Ze verlieten de stad via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. Ze vluchtten in de richting van de Jordaanvallei, 8maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde Sedekia in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger werd uiteengeslagen 9en de koning zelf namen ze gevangen. Ze brachten hem naar Ribla in het gebied van Hamat, naar de koning van Babylonië, en die berechtte hem. 10Eerst liet hij de zonen van Sedekia voor diens ogen afslachten, samen met alle raadsheren van Juda, 11en daarna liet hij Sedekia de ogen uitsteken. Vervolgens voerde hij hem geboeid met bronzen ketenen naar Babel, waar hij in de gevangenis werd gezet. Daar bleef hij tot de dag van zijn dood.

12Op de tiende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens vertegenwoordiger Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. 13Hij stak de tempel van de HEER in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. 14Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de muren van Jeruzalem neer. 15De mensen die nog in de stad overgebleven waren, onder wie de armen, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen en de overgebleven handwerkslieden. 16Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

17De bronzen zuilen bij de tempel van de HEER, de verrijdbare onderstellen van de spoelbekkens en het grote bronzen bekken, de Zee, werden door de Chaldeeën uit elkaar gehaald; al het brons namen ze mee naar Babel. 18Ook de potten, scheppen, messen, offerschalen, kommen en het andere bronzen tempelgerei namen ze mee. 19Verder nam commandant Nebuzaradan alles mee wat maar van goud of zilver was, zoals de schalen, vuurbakken, offerschalen, potten, kandelaars, kommen en plengschalen. 20De twee zuilen, de Zee, waarvan er maar één was, met de twaalf runderen van brons eronder, en de verrijdbare onderstellen die koning Salomo voor de tempel van de HEER had laten maken, bevatten samen een niet te wegen massa brons. 21De zuilen waren elk achttien el hoog en hadden een omtrek van twaalf el. Ze waren hol vanbinnen, met een wand van vier vingers dik. 22Ze waren bekroond met een bronzen kapiteel van vijf el. Daaromheen zat een vlechtwerk, versierd met granaatappels van massief brons. 23Rond de zuilen waren zesennegentig granaatappels aangebracht; in totaal telde het vlechtwerk honderd granaatappels.

24De hogepriester Seraja, zijn plaatsvervanger Sefanja en de drie priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gevangengenomen. 25En uit de stad haalde hij de raadsheer die belast was met oorlogszaken, zeven van de vertrouwelingen die vrij toegang hadden tot de koning, de secretaris van de opperbevelhebber, die tot taak had het volk onder de wapenen te roepen, en zestig mensen uit het gewone volk. 26Deze personen werden door Nebuzaradan gevangengenomen en naar Ribla overgebracht, naar de koning van Babylonië. 27Deze liet hen in Ribla, in het gebied van Hamat, ter dood brengen.

Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd in ballingschap. 28Nebukadnessar voerde het volgende aantal Judeeërs weg: in het zevende jaar van zijn regering drieduizend drieëntwintig, 29in het achttiende jaar achthonderdtweeëndertig, 30en in het drieëntwintigste jaar liet hij Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, er nog zevenhonderdvijfenveertig wegvoeren. In totaal vierduizend zeshonderd Judeeërs.

Gratie voor Jojachin

31In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de vijfentwintigste dag van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-Merodach van Babylonië hem ter gelegenheid van zijn troonsbestijging gratie en hij ontsloeg hem uit de gevangenis. 32Koning Ewil-Merodach verzekerde hem van zijn welwillendheid en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die gedwongen in Babel verbleven. 33Jojachin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en werd voor de rest van zijn leven aan het hof opgenomen. 34In zijn dagelijks onderhoud werd voortaan door de koning van Babylonië voorzien, zijn leven lang, tot de dag van zijn dood.

Jeremia 50-52NBV21Open in de Bijbel

1Een kunstig lied van de Ezrachiet Etan.

2Van uw liefde, HEER, wil ik eeuwig zingen,

van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht.

3Ik belijd: uw liefde houdt eeuwig stand,

uw trouw hebt U in de hemel gevestigd.

4‘Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten,

aan mijn dienaar David gezworen:

5Jouw dynastie zal Ik voor eeuwig vestigen,

je troon in stand houden, geslacht na geslacht.’ sela

6HEER, laat de hemel dit wonder prijzen,

laat de kring van hemelingen U loven om uw trouw.

7Want wie daarboven kan de HEER evenaren,

wie van de goden zich meten met de HEER,

8met God, zeer geducht in de raad van de hemelingen,

gevreesd bij allen die Hem omringen?

9HEER, God van de hemelse machten,

HEER, wie is zo sterk als U?

Trouw omhult U als een mantel.

10U heerst over de hoog rijzende zee –

verheffen zich haar golven, U brengt ze tot rust.

11U hebt Rahab verpletterd en doorboord,

met krachtige arm uw vijanden verstrooid.

12Van U is de hemel, van U ook de aarde,

de wereld met alles wat er leeft, hebt U gegrond,

13het noorden, het zuiden, U hebt ze geschapen,

Tabor en Hermon bejubelen uw naam.

14Uw arm verricht grote daden,

krachtig is uw hand, geheven uw rechterarm,

15uw troon rust op recht en gerechtigheid,

liefde en trouw staan in uw dienst.

16Gelukkig het volk dat van uw roem getuigt

en leeft, HEER, in het licht van uw gelaat.

17Juichend roepen zij uw naam, dag aan dag,

door uw gerechtigheid richten zij zich op.

18U bent de glans van onze kracht,

door uw gunst verhoogt U ons aanzien.

19Aan de HEER danken wij ons schild,

aan de Heilige van Israël onze koning.

20Ooit hebt U in een visioen gesproken

tot uw getrouwen en gezegd:

‘Ik heb hulp geboden aan een held,

een jongen uit het volk verheven.

21In David vond Ik een dienaar,

Ik zalfde hem met heilige olie.

22Mijn hand geeft hem steun,

mijn arm maakt hem sterk,

23geen vijand zal hem overvleugelen,

geen boosdoener hem bedwingen,

24zijn belagers zal Ik voor zijn ogen verslaan,

zijn haters vermorzelen.

25Mijn trouw en mijn liefde vergezellen hem,

door mijn naam zal hij in aanzien stijgen.

26Zijn linkerhand leg Ik op de zee,

zijn rechterhand op de rivier.

27Hij zal tot Mij roepen: “U bent mijn vader,

mijn God, de rots die mij redt!”

28Ik maak hem tot mijn eerstgeborene,

tot de hoogste van de koningen der aarde.

29Mijn liefde zal hem altijd beschermen,

hecht is mijn verbond met hem.

30Zijn dynastie houd Ik voor altijd in stand,

zijn troon zolang de hemel bestaat.

31Als zijn zonen zich afkeren van mijn wet,

niet leven naar mijn voorschriften,

32mijn wetten schenden,

mijn bevelen niet opvolgen,

33dan zal Ik hen tuchtigen voor hun misdaden,

hun zonden bestraffen met slagen.

34Maar mijn liefde zal Ik hem niet afnemen,

mijn trouw aan hem niet breken,

35Ik zal mijn verbond niet schenden,

mijn woorden niet herroepen.

36Eens heb Ik dat bij mijn heiligheid gezworen,

nooit breek Ik mijn woord aan David.

37Zijn dynastie zal altijd voortleven,

zijn troon voor Mij staan als de zon,

38als de maan die standhoudt voor eeuwig,

trouwe getuige aan de hemel.’ sela

39Toch hebt U hem verstoten en verworpen,

uw toorn over uw gezalfde uitgestort,

40het verbond met uw dienaar versmaad,

zijn kroon vertrapt en ontwijd.

41U hebt de wallen van zijn stad gesloopt,

al zijn vestingen afgebroken,

42voorbijgangers beroofden hem,

naburige volken bespotten hem.

43U gaf zijn tegenstanders de overhand,

zijn vijanden verheugden zich,

44U beroofde zijn zwaard van zijn scherpte,

U hield hem niet staande in de strijd.

45U hebt zijn glans gedoofd,

zijn troon omvergeworpen,

46de dagen van zijn jeugd verkort,

hem met schande overdekt. sela

47Hoe lang nog, HEER? Verbergt U zich voor altijd,

blijft het vuur van uw woede branden?

48Gedenk mij en mijn vluchtig bestaan.

Hoe nietig hebt U de mens geschapen!

49Leeft er iemand die de dood niet zal zien,

die ontkomt aan de greep van het dodenrijk? sela

50Waar is uw liefde van vroeger, Heer,

hebt U David geen trouw gezworen?

51Gedenk, Heer, dat uw dienaren worden bespot,

dat ik lijd onder de hoon van vele volken.

52Uw vijanden, HEER, bespotten mij,

spotten met uw gezalfde, waar hij ook gaat.

53Geprezen zij de HEER in eeuwigheid.

Amen, amen.

Psalmen 89NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons