En onder ons wil het wonen voorgoed


In het toeleven naar Kerst speelt een lied door mijn hoofd. Een lied waarvan de tekst geschreven is door Jannet Delver
‘Licht, woord, antwoord: De stilte is verbroken.
Voor wie verdrukt is, gebruikt, vernederd,
ter ziele, gezwicht voor het duister, gaat een hemels licht op.
Een scheppend woord is geworden:
Adem van God in een kind.
En onder ons wil het wonen voorgoed, wil het wonen voorgoed.’
In het lied zijn de teksten die rond Kerst vaak gelezen worden, uit het begin van het Lucasevangelie en uit Johannes 1, met elkaar verweven. Het kind dat onder ons wil wonen, scheppend woord, adem van God. God die binnenbreekt in ons bestaan en onder ons wil wonen, voorgoed.
Eén van de allersterkste associaties bij het Kerstfeest is toch wel het beeld van Jozef en Maria die noodgedwongen hun huis hebben moeten verlaten en op reis zijn naar Bethlehem, terwijl Maria hoogzwanger is. En als dan het moment van haar bevalling daar is, dan is er voor hen geen plaats in het gastenverblijf. Maria brengt haar eerstgeborene ter wereld, wikkelt hem in doeken en legt hem in een voederbak.
Geen plaats in het gastenverblijf
In gedachten zie ik de kleine gemeenschap van vluchtelingen uit Congo en Burundi voor me die ik in het afgelopen jaar bezocht. Mensen die naar Zuid-Afrika vluchtten en daar geen status krijgen waardoor ze een gewoon bestaan op zouden kunnen bouwen. Zoals er in onze samenleving mensen zijn die graag een plaats in willen nemen, maar geen ruimte krijgen. Deze groep is neergestreken op een stuk grond waar niet direct toegang tot water is. Onder hen een moeder met een kleine baby. Iedere dag wordt de afhankelijkheid gevoeld. ‘Wie staat ons toe om de jerrycans te komen vullen?’
‘Dít zal voor jullie het teken zijn,’ krijgen herders te horen. ‘Een pasgeboren kind dat in doeken gewikkeld is en in een voederbak ligt.’
‘Jullie redder is geboren, de messias.’
Een voederbak. Er is géén plaats in een regulier gastenverblijf, maar wél een voederbak. De voederbak: de plaats waar mensen zorgen dat er eten is voor die dieren die hen dienen. Een wild dier wil daar de nacht niet doorbrengen (Job 39:9), het vee vindt er juist zijn voedsel.
Waar vindt Hij plek?
Later in het evangelie naar Lucas komt opnieuw de vraag naar een plaats om te verblijven naar voren. In Lucas 22 vragen leerlingen aan Jezus waar Hij wil dat zij het pesachmaal zullen bereiden. Jezus laat zijn leerlingen dan naar een gastenverblijf vragen. Zij krijgen de ruimte om het pesachmaal met Jezus te vieren in het gastenverblijf. Het wordt de laatste maaltijd die Jezus met zijn leerlingen geniet. Tijdens die maaltijd presenteert Jezus brood en wijn als zijn eigen vlees en bloed: de maaltijd vieren is Jezus in verbondenheid gedenken. ‘Ik ben in jullie midden als iemand die dient,’ zegt Jezus dan tegen zijn leerlingen.
Hij wordt zelf tot voedsel
In mijn gedachten raken ook die verhalen met elkaar verweven. De redder die grote vreugde voor ieder mens zal betekenen is ter wereld gekomen bij een voederbak. Hij is neergelegd op de plaats waar dieren die dienen hun voedsel krijgen. In het gastenverblijf was geen plaats. Maar Hij zal zijn ruimte krijgen. En zelf tot voedsel worden. ‘Dit is mijn lichaam.’
De herders krijgen het goede nieuws te horen van een engel die met Gods stralende luister omgeven is. En bij deze bode van God voegt zich een heel leger aan engelen dat de herders vrede op aarde toezingt. Hemels licht!
God wil onder ons wonen
Mijn gedachten keren terug naar de vrouw met de baby in Zuid-Afrika. Op het kleine stuk grond waar zij samenleefde met een groep vluchtelingen waren provisorisch ruimtes gecreëerd om te leven. ‘Er is hier geen privé-leven,’ lachte één van de andere vluchtelingen – ietwat schamper – naar me. Wel was er één grotere ruimte ingericht als een gezamenlijke kerkzaal. ‘Hier starten we iedere dag met elkaar,’ vertelden de vluchtelingen me. ‘Hier bidden en zingen we tot God. Hier weten we dat we mens zijn en dat we uiteindelijk niet alleen zijn.’
Deze gemeenschap heeft een gastenverblijf ingericht, zou je kunnen zeggen. Terwijl het voor henzelf iedere dag onzeker is wat er aan drinken en eten zal zijn, blijven ze tijd en plaats inruimen voor God. Zo blijven ze mens.
‘Voor wie verdrukt is, gebruikt, vernederd,
ter ziele, gezwicht voor het duister, gaat een hemels licht op.’
Met Kerst vier ik het scheppende woord, het hemelse licht, de adem van God in een kind. Het helpt me om me te blijven richten op een wereld waarin mensen plaats kunnen maken voor elkaar, bereid zijn om er te zijn voor elkaar en om mens en schepping te dienen. Steeds als ik dat zie oplichten word ik herinnerd aan hoe God onder ons wil wonen, voorgoed.
Ds. Karin van den Broeke - Voorzitter Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap, Predikant te Oost-Souburg
