6God zei: ‘Laat er midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ 7God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. Zo gebeurde het. 8Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.
11In het zeshonderdste jaar van Noachs leven, op de zeventiende dag van de tweede maand, braken alle bronnen van de machtige oervloed open en werden de sluizen van de hemel opengezet. 12Veertig dagen en veertig nachten lang zou het op de aarde stortregenen.
3Jezus, die wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven en dat Hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, 4stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om 5en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen, en droogde ze af met de doek die Hij omgeslagen had.
13Jezus antwoordde: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, 14maar wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’
6Toen zei Hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef Ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft.