17Wat dwaalleraren vertellen woekert voort als een gezwel. Ook Hymeneüs en Filetus 18zijn van de waarheid afgedwaald door te beweren dat de opstanding al heeft plaatsgevonden. Daarmee ondermijnen ze het geloof van anderen.
32Toen ze hoorden van een opstanding van de doden dreven sommigen daar de spot mee, terwijl anderen zeiden: ‘Daarover moet u ons een andere keer nog maar eens vertellen.’
13en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” 14En mocht dit de gouverneur ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’ 15Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.
6Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. Jullie zoeken Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, Hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar Hij was neergelegd.
3Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4dat Hij is begraven, dat Hij op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5en dat Hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf.
3Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4dat Hij is begraven, dat Hij op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5en dat Hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf. 6Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7Vervolgens is Hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. 8Pas op het laatst verscheen Hij ook aan mij, misgeboorte die ik was.
Pogingen om er wat van te maken: het beroep op de Schrift
24God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden. 25David zegt immers over Hem:
“Steeds houd ik de Heer voor ogen,
Hij is aan mijn zijde, ik wankel niet.
26Daarom verheugt zich mijn hart
en jubelt mijn tong van blijdschap.
Vervuld van hoop rust mijn lichaam,
27want U zult mij niet overleveren aan het dodenrijk
en het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan.
28U hebt mij de weg naar het leven getoond,
uw nabijheid zal mij vervullen met vreugde.”
29Volksgenoten, u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier. 30Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, 31heeft hij de opstanding van de messias voorzien en gezegd dat deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan. 32Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen. 33Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest ontvangen, zoals beloofd was. Die Geest heeft Hij over ons uitgegoten, en dat is wat u ziet en hoort. 34David is weliswaar niet naar de hemel opgestegen, maar toch zegt hij: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, 35tot Ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt.’” 36Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld.’