13Wie met een man het bed deelt als met een vrouw, begaat een gruweldaad. Beiden moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
19Heb geen gemeenschap met een vrouw wanneer zij vanwege haar menstruatie onrein is. 20Verontreinig jezelf niet door seksuele omgang te hebben met de vrouw van een ander. 21Ontwijd de naam van je God niet door een van je kinderen aan Moloch te offeren. Ik ben de HEER. 22Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk. 23Verontreinig jezelf niet door de geslachtsdaad te verrichten met een dier. En een vrouw mag niet een dier uitlokken om met haar te paren, dat is pervers.
20maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf.
32Dit zeg Ik daarover: ieder die zijn vrouw verstoot om een andere reden dan ontucht, drijft haar tot overspel; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.
1Het is algemeen bekend dat er een geval van ontucht bij u is dat zelfs bij de heidenen niet voorkomt: er is iemand die met de vrouw van zijn vader leeft.
13U zegt: ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik is er voor het voedsel, en God zal aan beide een einde maken.’ Maar bedenk dat het lichaam er niet is om ontucht mee te plegen: het is er voor de Heer en de Heer is er voor het lichaam.
8Hij werd gevolgd door een tweede engel, die uitriep: ‘Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad, die door haar ontucht alle volken de wijn van haar wellust heeft laten drinken.’
13Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw aardse begeerten vrij spel te geven, maar dien elkaar in liefde, 14want de hele wet is vervuld in één uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 15Maar wanneer u elkaar aanvliegt en verscheurt, pas dan maar op dat u niet door elkaar wordt verslonden. 16Ik zeg u dus: laat u leiden door de Geest, dan zult u niet toegeven aan aardse begeerten. 17De aardse begeerte gaat in tegen de Geest, en wat de Geest verlangt gaat in tegen de aardse begeerte. Het een is in strijd met het ander, en u kunt dus niet zomaar doen wat u wilt. 18Maar wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet. 19De praktijken waartoe de aardse begeerte aanzet zijn bekend: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, 20afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, 21afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. Ik herhaal de waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich aan deze dingen overgeven, zullen geen deel hebben aan het koninkrijk van God.
13U zegt: ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik is er voor het voedsel, en God zal aan beide een einde maken.’ Maar bedenk dat het lichaam er niet is om ontucht mee te plegen: het is er voor de Heer en de Heer is er voor het lichaam.
9Weet u niet dat wie onrecht doet geen deel zal hebben aan het koninkrijk van God? Vergis u niet. Ontuchtplegers noch afgodendienaars, overspeligen noch mannen die zich prostitueren of die andere mannen misbruiken,
27en ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met vrouwen losgelaten en zijn in hartstocht voor elkaar ontbrand. Mannen plegen ontucht met mannen; zo ontvangen ze, door eigen toedoen, het verdiende loon voor hun dwaling.
29Ze zijn door en door onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig en slecht. Ze zijn door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt en kwaadaardig. Ze roddelen 30en spreken kwaad, haten God, zijn hoogmoedig, arrogant en zelfingenomen. Ze zijn vindingrijk in het kwaad, tonen geen ontzag voor hun ouders, 31zijn kortzichtig en trouweloos, liefdeloos en onbarmhartig. 32En hoewel ze het vonnis van God kennen en weten dat mensen die dergelijke dingen doen de dood verdienen, doen ze dit alles toch. Sterker nog, ze juichen het zelfs toe dat anderen het ook doen.
4De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,
Veelgestelde vragen over homoseksualiteit in de Bijbel
Wat zegt de Bijbel over homoseksualiteit?
De Bijbel kent geen enkel woord dat exact overeenkomt met het moderne begrip ‘homoseksualiteit’. Wel zijn er enkele teksten die spreken over seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Over de uitleg en betekenis van deze teksten voor vandaag verschillen christenen onderling van mening.
Welke Bijbelteksten gaan over homoseksualiteit?
De teksten die meestal genoemd worden zijn Leviticus 18:22 en 20:13, Romeinen 1:26-27 en 1 Korintiërs 6:9-10. Daarnaast wordt vaak verwezen naar het scheppingsverhaal over man en vrouw (Genesis 1-2). Het is belangrijk om deze teksten in hun eigen tijd en context te lezen.
Gaat het in de Bijbel over homoseksuele gevoelens of over gedrag?
De Bijbelteksten spreken over handelingen, niet over gevoelens of geaardheid als zodanig. Het onderscheid tussen ‘zijn’ (geaardheid) en ‘doen’ (gedrag) speelt een belangrijke rol in hoe mensen deze teksten vandaag uitleggen.
Veroordeelt de Bijbel homoseksualiteit?
Sommige christenen lezen de genoemde teksten als een duidelijke afwijzing van homoseksuele handelingen. Anderen wijzen erop dat de teksten zijn ontstaan in een heel andere culturele context en dat ze niet zonder meer van toepassing zijn op liefdevolle relaties tussen mensen van gelijk geslacht vandaag. De Bijbel zelf geeft geen pasklaar antwoord op deze hedendaagse vraag.
Wat zegt de Bijbel over liefde en omgang met de naaste?
Door de hele Bijbel heen staan liefde, recht en het omzien naar de ander centraal. Jezus vat de geboden samen in de liefde tot God en de naaste (Marcus 12:30-31). Veel christenen lezen de specifieke teksten daarom in het bredere licht van deze kernboodschap.