2U hebt het volk weer groot gemaakt,
diepe vreugde gaf U het,
blijdschap als de vreugde bij de oogst,
zij jubelen als bij het verdelen van de buit.
6Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, liepen in alle steden van Israël de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen.
5Azarja, de zoon van Natan, stond aan het hoofd van de stadhouders; de priester Zabud, de zoon van Natan, was de vertrouweling van de koning;
34Moge mijn lofzang de HEER behagen,
zoals ik mijn vreugde vind in Hem.
14Leven naar uw richtlijnen geeft mij vreugde,
meer vreugde dan rijkdom en overvloed.
28U hebt mij de weg naar het leven getoond,
uw nabijheid zal mij vervullen met vreugde.”
4Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd.
17Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Wat er vroeger was raakt in vergetelheid,
het komt niemand ooit nog voor de geest.
18Verheug je voor altijd en jubel om wat Ik schep.
Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad
en schenk haar bevolking vreugde.