7Misschien zijn er toch arme mensen in de steden die de Heer, jullie God, zal geven. Denk dan niet alleen aan jezelf. Wees niet gierig, 8maar geef iemand die arm is, alles wat hij nodig heeft. 9Denk niet: Het zevende jaar komt eraan, het jaar waarin niemand meer schulden terug hoeft te betalen. Ik ga geen geld meer uitlenen.
Het is slecht om zo te denken en iemand die arm is, niets te geven! Als zo iemand dan bij God klaagt omdat je hem niets geeft, zal de Heer je zeker straffen. 10Geef dus aan de armen. Doe het van harte en geef ze veel. Dan zal de Heer, je God, je rijk en gelukkig maken, en je helpen bij alles wat je doet.
11Er zullen altijd arme mensen zijn in jullie land. Daarom geef ik jullie deze regel: Help iedereen die arm is of het moeilijk heeft. Geef zo veel als je kunt.
12De HEER zal de rijk gevulde schatkamer van de hemel openen om uw akkers op de juiste tijd regen te geven. Hij zal uw arbeid op het land zo zegenen dat u aan veel volken leningen kunt verschaffen, zonder ooit zelf te hoeven lenen.
24Je kunt niet trouw zijn aan twee bazen tegelijk. Want je zult altijd meer liefde hebben voor de één dan voor de ander. En je zult altijd meer respect hebben voor de één dan voor de ander. Je kunt dus niet tegelijk voor God en voor het geld leven.
19Omdat ik van niemand geld aanneem, ben ik helemaal vrij. Maar ik gebruik die vrijheid om me aan te passen aan alle mensen met wie ik omga. Zo wil ik zo veel mogelijk mensen voor het geloof winnen.