Prediker 3:1-8 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Prediker 3:1-8 is wellicht de bekendste passage van het boek. Ze stelt dat alles een tijd heeft die door God bepaald is. Hierdoor laat de passage ons nadenken over wat het betekent om deel uit te maken van Gods schepping en Gods plan. Zijn we louter onderworpen aan Gods willekeur of is er ook ruimte voor vrije wil en menselijke creativiteit?
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Alles heeft zijn tijd
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Prediker 3:1-8 laat ons stilstaan bij wat we als mensen in de hand hebben. Alles wat gebeurt en wat we rondom ons zien, gebeurt op een moment dat in Gods ogen geschikt is. Dat gebeurtenissen en de tijd waarop ze plaatsvinden in Gods handen liggen, wil niet zeggen dat de mens geen vrije wil heeft om zelf ook keuzes te maken. Zo stelt Prediker dat de mens ook zijn eigen weg mag gaan, met die voorwaarde dat hij ontzag toont voor God (zie Pred. 11:9). Waar zien wij God vandaag in de gebeurtenissen rondom ons? Schrijven we alles toe aan onze eigen verdienste of laten we ook ruimte voor Gods werkzaamheid?
- Prediker stelt dat er een tijd voor oorlog is en een tijd voor vrede. Tegenwoordig lijkt het meer een tijd van oorlog te zijn in plaats van een tijd van vrede. Als Prediker stelt dat ook oorlogstijd een periode is die door God bedoeld is, dan kan dat moeilijk te rijmen zijn met de idee van een vredevolle toekomst die ons in de profetische literatuur en in de nieuwtestamentische geschriften aangereikt wordt. Is het mogelijk om een tijd van oorlog als deel te zien van Gods plan? Zo ja, op welke manier laat God zich kennen en waar zien we God werkzaam in oorlogstijd?
Context van Prediker 3:1-8
Het boek Prediker als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Prediker vind je in deze inleiding op het boek Prediker
Plek van deze passage in het geheel
Wanneer je hoofdstuk 2 zou lezen en vervolgens naar hoofdstuk 3 zou gaan, dan lijkt de overgang abrupt te zijn. Hoofdstuk 3 houdt inhoudelijk meer verband met wat er in de eerste verzen van het boek gezegd wordt. Denk hierbij aan de herhaling van de vraag uit Prediker 1:3, namelijk welk voordeel de mens uit zijn werk kan halen, in Prediker 3:9. De structuur is soortgelijk: een uitspraak die vervolgens aangetoond wordt aan de hand van meerdere voorbeelden.
Opbouw en kern van de passage
Onze passage is wellicht de bekendste passage uit het boek Prediker. Het start met de uitspraak dat alles zijn tijd heeft (vs. 1). Nadien volgen meerdere uitspraken die dit aantonen (vs. 2-8). Deze verzen bevatten telkens een positieve en een negatieve tegenpool.
De verzen zijn door geleerden op twee verschillende manieren uitgelegd. Sommigen menen dat Prediker wil aantonen dat er goede en slechte momenten zijn om een bepaalde handeling te doen of emotie te uiten. Anderen stellen dat het niet uitmaakt op welk moment iets gedaan wordt, omdat alles uiteindelijk past in het grote plan dat God met de wereld en de mens voorheeft. Dit lijkt de meest aannemelijke uitleg te zijn, om twee redenen. Enerzijds gaat de tekst ook over sterven en geboren worden. Deze zaken hebben we niet in de hand. Het is dus moeilijk om op basis van de eerste uitleg een goed moment uit te kiezen om geboren te worden of te sterven. Anderzijds geniet de tweede uitleg voorkeur in het licht van Prediker 3:11. Daar wordt gesteld dat God alles een plaats in de tijd gegeven heeft. Al heeft God de mens inzicht gegeven om de tijd te doorgronden, toch kan hij Gods werk niet volledig bevatten.
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
Alles heeft zijn tijd
- Voor alles wat gebeurt is er een uur: Deze zin wordt geduid door een aantal voorbeelden die in de volgende verzen aan bod komen. Het versdeel drukt uit dat alles geregeld is volgens een goddelijk plan (zie vs. 11).
- onder de hemel: taḥat haššāmāyim in het Hebreeuws. Hiermee wordt de aarde en de menselijke activiteit bedoeld. Zie ook Prediker 1:3, waar ‘onder de zon’ gebruikt wordt. Daar wordt dezelfde idee uitgedrukt.
Bij vers 5
- Er is een tijd om te beminnen (…) te onthouden: De letterlijke vertaling van ‘eet lehasjliech ’avanim we‘eet kenos ’avanim is: ‘Er is een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te verzamelen’. Door het cultuurverschil tussen de oudtestamentische wereld en de onze is de betekenis van deze tegenstelling onduidelijk geworden. Daarom moet er gekeken worden naar de context waarbinnen deze tegenstelling staat. Omdat bij de overige verzen steeds twee paren van tegenstellingen een semantische verwantschap vertonen, kan ervan uit worden gegaan dat dat ook in vers 5 het geval is. De tweede helft van vers 5 gaat over omhelzen en afweren. De eerste tegenstelling van vers 5 wordt weergegeven met een beeld dat verwantschap vertoont met de daaropvolgende tegenstelling. In de rabbijnse traditie is ‘stenen’ soms metaforisch opgevat als ‘zaad’. Met het wegwerpen van stenen wordt de geslachtsdaad bedoeld en met het verzamelen van stenen het zich onthouden daarvan. Het is moeilijk in het Nederlands een geschikt alternatief te vinden voor de Hebreeuwse uitdrukkingen dat eenzelfde soort metaforische relatie laat zien als ‘stenen’ dat doet voor ‘zaad’. Daarom is in de NBV gekozen voor het iets ruimer genomen, maar nog steeds beeldende ‘ontvlammen’ en ‘verkillen’. In de NBV21 heeft men voor ‘beminnen’ en ‘zich onthouden’ gekozen.
- af te weren: De letterlijke vertaling van ‘eet lachavoq we‘eet lirchoq mechabeeq is hier: ‘een tijd om te omhelzen en een tijd om zich te onthouden van het omhelzen’. In het Hebreeuws is ‘het onthouden van het omhelzen’ de tegenstelling van ‘omhelzen’. In het Nederlands kan de tegenstelling goed op een andere manier worden uitgedrukt: een tijd om af te weren. Het ritme van vers 1-8 blijft met de keuze voor ‘af te weren’ bewaard.
Bij vers 7
- scheuren: Het gaat in vers 7 om rouwen en de tegenstelling daarvan. Het scheuren in de eerste tegenstelling van vers 7 heeft betrekking op het scheuren van kleding als een teken van rouw. Het herstellen van de kleding markeert de afsluiting van de rouwperiode. Het zwijgen in de tweede tegenstelling in vers 7 is ook een rouwgebruik.
Bij vers 8
- Er is een tijd voor oorlog (…) vrede: In vers 8b wordt de tegenstelling niet zoals in de rest van het gedicht met werkwoorden beschreven, maar met zelfstandig naamwoorden. Dit vers heeft daardoor het karakter van een afsluiting van het hele gedicht. Het afsluitende karakter wordt in de vertaling bovendien gemarkeerd door in de laatste regel van vers 8 de woorden ‘er is’ nog eens te herhalen.
Ter inspiratie
Alle tijden
In 7 x 4 tegenstellingen beschrijft Prediker het leven onder de zon of het leven onder de hemel. De volheid van het leven maal het allesomvattende van het leven. In deze tegenstellingen beschrijft Prediker ons leven. En zoals hij het opschrijft, lijkt het één het ander weer op te heffen, teniet te doen, alsof er geen vooruitgang is – wat opgebouwd is, wordt weer afgebroken; waarover je in vuur en vlam stond, daarover verkilt je hart; waar liefde is, komt de haat voor in de plaats. Het goede maakt plaats voor het kwaad en het mooie verdrijft het gebrokene.
Vanuit het perspectief onder de zon, vanuit het leven onder de hemel, vanuit ons perspectief is ons leven een leven vol tegenstellingen. Jaren van hoogte- en dieptepunten. Tijden vol licht en leven, vreugde en vrolijkheid. Maar het leven kan ook pijn doen en genadeloos zijn in alle ellende die een mens kan treffen.
En als we dat dus goed begrijpen, dan zegt Prediker dat dat vastgestelde tijden zijn. Door God vastgestelde tijden. En als je iets verder leest in Prediker 3, lees je ook de conclusie dat al die verschillende tijden goede tijden zijn (vs. 11). Ook die moeizame perioden, ook die ellendige tijden, ook dát zijn goede tijden. Dat zouden wij over oorlog en gebrokenheid niet direct zeggen. Dat kun je eigenlijk alleen maar zeggen als je vanuit een ander perspectief kijkt. Dat kun je niet zeggen vanuit het perspectief onder de zon, dat kun je alleen maar zeggen als je een allesoverstijgend perspectief hebt, als je alle tijden overziet, dat kun je alleen maar zeggen als je rekening houdt met het eeuwige en de Eeuwige.
Prediker weet: God verlost ons van de tijd, maar totdat we Hem ontmoeten zullen we de tijden niet altijd begrijpen. Tot die tijd zit er niks anders op dan je te verheugen en goed te doen. Het is voor ons vaak te hoog gegrepen om de tijden in ons leven te begrijpen – in plaats daarvan kunnen we onszelf beter doelen stellen die wél voor ons haalbaar zijn, zoals hier en nu gelukkig zijn met wat we hebben, met wat we doen, met wie we zijn en met de omstandigheden van ons leven. En dan gelukkig in de zin van: vrede hebben met, tevreden zijn over. Want als het jou lukt om zó te leven, dan is dat een Godsgeschenk. Het is een levenshouding die in het Nieuwe Testament beschreven wordt als een houding van dankbaarheid – onder alle omstandigheden.
Ds. Mirjam Muis, Protestantse Kerk in Nederland
