17Word wakker, word wakker,
Jeruzalem, sta op!
De HEER heeft je laten drinken
uit de beker van zijn toorn;
je hebt uit die kelk gedronken,
de beker die je zo heeft bedwelmd
tot de bodem leeggedronken.
18Er is niemand die je leidt,
geen van de kinderen die je hebt gebaard;
niemand die je bij de hand neemt,
geen van de kinderen die je hebt grootgebracht.
19Dubbel ongeluk heeft je getroffen:
verwoesting en rampspoed – wie zal je beklagen?
honger en geweld – wie zal je troosten?
20Je kinderen zijn bezweken;
als een antilope gevangen in een net,
zo liggen ze op elke straathoek,
overweldigd door de toorn van de HEER,
verlamd door de dreiging van je God.
21Daarom, luister hiernaar, ongelukkige,
jij die beschonken bent, maar niet door de wijn.
22Dit zegt je God, de HEER,
de God die het opneemt voor zijn volk:
Ik neem de bedwelmende beker uit je hand,
de kelk, de beker van mijn toorn,
je hoeft er niet meer uit te drinken.