Onderlinge samenhang van de lezingen
In de lezingen van vandaag horen we hoe Jesaja, Paulus en Johannes de Doper – ieder in een andere tijd en context – de misstanden binnen de eigen gemeenschap aan de kaak stellen en hun tijdgenoten, lezers en toehoorders oproepen om zich te bekeren en vervolgens dit in concrete daden van naastenliefde om te zetten.
In plaats van te regeren volgens de richtlijnen van de eigen ambitie en macht, dienen koningen – aldus Jesaja – met wijsheid rechtvaardig te regeren om zo de vrede in de samenleving te verzekeren. Psalm 72 duidt dit met iets andere woorden ook aan. In de tweede lezing spoort Paulus zijn lezers – Joden en heidenen – niet alleen aan om bij alles wat zij doen op God te vertrouwen, maar ook om elkaar te accepteren en samen een harmonieus geheel te vormen. Johannes de Doper ten slotte dreigt in het evangelie met een goddelijk oordeel en roept derhalve iedereen op om zich te bekeren.
Jesaja 11,1-10
In Jesaja 10,20–12,6 schildert Jesaja de ontwikkelingen rond het koningshuis van David. Zo beschrijft hij in Jesaja 10,27b-34 hoe een invasiemacht uit het noorden naar Jeruzalem oprukt en hoe God ‘met vreselijk geweld’ de takken afhakt (10,33).
Hiermee is het verhaal nog niet ten einde. De lezing van deze zondag, Jes. 11,1-10, laat zien dat het koningshuis van David nog een toekomst heeft. Immers, ofschoon de nakomelingen van Isaï, de vader van David, tot een uitgedroogde stronk zijn geslonken, zal daaruit toch nieuw leven ontspruiten. Op deze ‘twijg’ zal Gods geest rusten die hem ook de geestelijke eigenschappen zal schenken die een koning nodig heeft. Zo wordt hij niet alleen met wijsheid, inzicht, beleid en sterkte begiftigd, maar ontvangt ook de ‘kennis van jhwh’ die hij aan het volk doorgeeft. Op deze wijze kan, zoals het water dat heel de bodem van de zee bedekt (11,9), de ‘kennis van jhwh’ het hele land vervullen. Daarnaast zal de ‘twijg’ ook van de ‘vreze voor jhwh’ vervuld zijn (11,3). Deze houding maakt mogelijk dat hij, als een nieuwe Salomo, met gerechtigheid en trouw wordt bekleed, om zo aan ‘kleine’ mensen recht te kunnen doen en boosdoeners te kunnen verslaan.
In de direct daaropvolgende verzen 6-8 wordt de beschreven lijn van hernieuwde gerechtigheid naar de hele schepping doorgetrokken. Immers, er zal niet alleen vrede en harmonie heersen tussen de mensen onderling, maar ook tussen de dieren. Sterker nog: er zal zelfs geen gevaar meer zijn wanneer een zuigeling bij het hol van een adder speelt. De vermelding van de adder is hier niet zonder enige reden. In feite geven deze verzen een beschrijving van een nieuw paradijs weer, compleet met de slang uit Gen. 3,1-19.
Ofschoon de lezing met de vernieuwing van het koningshuis van David begint (v. 1) en met haar gevestigde status eindigt (v. 10), ligt de nadruk veeleer op de drie facetten van Gods steun en zegen. Allereerst hebben we de ‘geest van jhwh’ die aan de ‘twijg’ de wijsheid verschaft om te regeren. Ten tweede, de ‘vreze voor jhwh’. Deze maakt niet alleen de rechtspraak mogelijk, maar geeft de ‘twijg’ ook de autoriteit om te regeren. Als laatste hebben we de ‘kennis van jhwh’ die de aanwezigheid van vrede in de samenleving verzekert. Deze drie zaken zijn geen koninklijke prestaties. Het zijn facetten van jhwh’s aanwezigheid in Jeruzalem. Wanneer een koning door de ‘geest van jhwh’ in de ‘vreze voor jhwh’ regeert, met de bedoeling om de ‘kennis van jhwh’ te verspreiden, dan is het ethos van het Davidisch koningschap aan het werk. Helaas is het tegenovergestelde ook waar. Wanneer koningen regeren volgens de richtlijnen van hun eigen ambitie en macht, worden Gods voornemens gedwarsboomd en wacht het oordeel.
Literatuur
Anne-Marie Pelletier, ‘Jesaja’, in: Erik Eynikel, Ed Noort, Tjitze Baarda en Adelbert Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel Band 2, Kampen, Uitgeverij Kok, 2001, 1109-1153.
John D.W. Watts, Isaiah 1-33 (Word Biblical Commentary, Vol. 24), Grand Rapids, Zondervan, 2004.
Psalm 72
Volgens Psalm 72 wordt van een menselijke koning verwacht dat hij Gods’ gerechtigheid op aarde in praktijk brengt. Een ideale koning is dus iemand die Gods wil met betrekking tot orde en eerlijkheid in zijn koninkrijk uitvoert. Het Hebreeuwse woord sjalom verwijst naar welzijn, gezondheid en de heelheid van het land en naar de mensen die daar wonen. Het is de plicht van de koning om het land sjalom te brengen. Echter, sjalom kan alleen worden bereikt wanneer de armen en behoeftigen, met rechtvaardigheid en mededogen, eerlijk worden behandeld (72,2-4.12-14). Een koning die niet alleen in theorie maar ook in de praktijk Gods rechtvaardigheid en mededogen doorgeeft (72,12-14), zal de ontvanger zijn van vele zegeningen (72,5-11.15.17).
Romeinen 15,4-9
De Schrift is niet geschreven als een bron van informatie – historisch en/of wetenschappelijk – maar veeleer ‘tot onze lering’, dat wil zeggen: om het geloof te versterken en de hoop te vernieuwen. Hierbij worden de Romeinse christenen er opnieuw aan herinnerd dat zij bij hun denken en handelen op God moeten blijven vertrouwen. Paulus rondt deze aansporing af met een gebed om eenheid onder zijn lezers, zowel joden als heidenen. Door zijn formulering deelt hij hen mee dat de onderlinge harmonie die hij voor hen wenst niet hun eigen verdienste is, maar het is Gods werk. Door hier ‘in de geest van Christus Jezus’ aan toe te voegen, herinnert Paulus hen er aan dat de oproep om elkaar lief te hebben – en daarmee ook de wederzijdse acceptatie tussen Joden en heidenen – in Christus zijn voorbeeld vindt. Immers, de heidenen moeten weten dat Christus een Jood en dienaar van de besnijdenis is, en de Joden dat Gods heerschappij universeel is. Ook mogen de heidenen nooit vergeten dat zij door Joden geroepen zijn, en de Joden dat God vanaf het begin ook het heil van de heidenen voor ogen had.
Literatuur
James D.G. Dunn, Romans 9-16 (Word Biblical Commentary, Vol. 38B), Dallas, Word Books, 1988.
S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 3,1-12
Johannes de Doper treedt op in de woestijn van Judea. Volgens een traditie die dwars door Israëls geschiedenis heengaat, is de woestijn de plaats waar God het initiatief neemt om zijn volk te onderrichten en te doen bekeren. Zo gaf God in de woestijn de Wet aan zijn volk, en moest het vervolgens veertig jaar door de woestijn trekken om een volk van God te worden. In aansluiting hierop wordt in Matteüs 3,3 van Johannes de Doper gezegd dat hij een roepende in de woestijn is, een stem die het volk Israël tot bekering oproept. De beschrijving van Johannes’ kleding (v. 4) komt sterk overeen met die van Elia uit 2 Koningen 1,8. Daarmee wordt impliciet aan de lezer de boodschap meegegeven dat Johannes de teruggekeerde profeet Elia is (vgl. Mal. 3,23v). Daarenboven is een profeet die een kledingstuk van kameelhaar draagt, niet iets ongewoons (vgl. Zach. 13,4). Dit geldt overigens ook voor Johannes’ dieet van sprinkhanen en wilde honing, aangezien dit voedsel in de woestijn beschikbaar is alsmede ritueel rein (vgl. Lev. 11,20vv).
Net als de profeten uit het Oude Testament dreigt ook Johannes Israël met een goddelijk oordeel en roept hij iedereen op om zich te bekeren. De oproep om zich voor te bereiden op het komend koninkrijk veroorzaakt een sterke reactie bij Johannes’ toehoorders uit Jeruzalem, Judea en de streek rond de Jordaan. Het volk verlangt naar verlossing van de Romeinse onderdrukking en naar vernieuwing, en is bijgevolg bereid om het doopsel van bekering te ontvangen (vv. 5-6). Maar scherp worden zijn woorden, wanneer hij ziet dat er vele farizeeën en sadduceeën komen om door hem gedoopt te worden. Deze leden van religieuze en politieke joodse groeperingen menen dat de komende toorn van God hen niet zal raken omdat Abraham hun vader is. Ze krijgen nu van Johannes te horen: ‘Addergebroed, wie heeft u voorgespiegeld dat ge de dreigende toorn kunt ontvluchten?’ Bij dit beeld – scherp en weinig vleiend! – gaat het om giftige slangen die bij brand instinctmatig naar een veiliger plek vluchten. Gelijk adders vluchten ook deze farizeeën en sadduceeën voor de komende toorn van God, die als een verterend vuur naderbij komt. Door de farizeeën en sadduceeën ‘addergebroed’ te noemen, beschuldigt Johannes hen niet alleen van bedrog en corrupt leiderschap. Ook krijgen zij in krasse taal te horen dat bekering en doop alleen niet voldoende zijn, maar dat deze eveneens in daden moeten worden omgezet. Bekering en concrete daden van naastenliefde zijn twee kanten van dezelfde medaille.
Literatuur
Douglas R.A. Hare, Matthew (Interpretation. A Bible Commentary for Teaching and Preaching), Louisville, John Knox Press, 1993.
Adrian Leske, ‘Matteüs’, in: Erik Eynikel, Ed Noort, Tjitze Baarda en Adelbert Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel Band 2, Kampen, Uitgeverij Kok, 2001, 1456-1544.
door: dr. Max G.L. van de Wiel OCSO
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06
