Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

5-4-2026

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

Deze Paaszondag wordt in alle toonaarden gekleurd door de paasboodschap ‘De Heer is waarlijk verrezen!’ Maar waar baseren we dat eigenlijk op? Je zou verwachten dat de grote feesten van Kerstmis en Pasen zich kunnen buigen over en beroepen op een expliciet getuigenis over Jezus’ geboorte en zijn verrijzenis. Maar nee! Met Kerstmis staat er in het evangelie geen expliciet geboorteverhaal – geen feitenrelaas van hoe laat het kindje geboren is en wat het weegt – maar louter dat Jezus die nacht daar geboren werd. En dan moeten we het ook nog hebben van enkel de summiere vermeldingen bij Matteüs en Lucas; Marcus en Johannes spreken er niet over. Alsof die nacht overgeslagen wordt. En voor Pasen geldt dat nog meer: na de begrafenis van Jezus gaat het verhaal verder met de vroege Paasmorgen en wel met de ontdekking van het lege graf. Geen dokter of lijkschouwer die er een rapport van opgemaakt heeft, zelfs niemand die erbij is geweest.

Volgens mij heeft het enerzijds te maken met schroom: Christus’ geboorte en zijn verrijzenis zijn wel van een zo andere orde dan de rest van het leven, dat de evangelisten hier liever zwijgen. In dat zwijgen laten ze het mysterie van God voor zichzelf spreken. Wij hebben het daar moeilijk mee, want we weten het liefst alles. En wat we niet kunnen zien of waar we met nuchter verstand niet bij kunnen, bestaat niet. Maar tegelijk geeft het evangelie daarmee de richting aan waarin we het moeten zoeken: geloof is altijd iets dat je je eigen moet maken. God dringt zich niet op en wringt zich niet binnen, maar klopt aan de deur van ons hart, of Hij binnen mag, zowel als het Kind van Betlehem dat zich in onze harten legt, als de Verrezene die ons roept om Hem te volgen. Geloof is een kwestie van liefde en die kun je niet afdwingen. Zelfs God niet.

Dat het evangelie terughoudend is, biedt ons ruimte: de ruimte om binnen te treden in ons geloof in de verrijzenis en het nieuwe leven. Het is geen verpletterende boodschap, maar een vriendelijke wenk om ons dat geloof eigen te maken en er met alles wat we hebben en zijn mee aan de slag te gaan. Paasgeloof word je niet zomaar gegeven. Geloof heb je nooit in je binnenzak, het is geen app die je zomaar downloadt, maar daar moet je in groeien. Dat is nu zo, dat was toen niet anders. Maria Magdalena, die ‘s morgensvroeg naar het graf gaat, vindt daar geen verrijzenis, maar treft er louter en alleen het lege graf aan. Over een verrijzenis wordt op dat moment met geen woord gerept. In die verwarring zal er van alles door haar zijn heengegaan, maar ook dat haar leven danig in de war was geraakt. Jezus had vol liefde naar haar omgezien en dat had haar leven totaal veranderd. En zou Hij dat nu niet nog eens kunnen waarmaken? Het kan toch niet, zeggen we bij elk afscheid, dat de dood het einde is? En vanuit die openheid is de stap naar geloof in nieuw leven niet meer zo groot: Jezus had het haar geschonken, zou Hij het zichzelf niet schenken?

Je moet ervoor gaan zitten, maar de evangelist Johannes doorspekt zijn verhaal met verwijzingen naar Gods handelen. Het was de eerste dag, hij spreekt over dat het nog donker was – donker zal nog licht worden – en nog zovele andere beelden verwijzen naar de eerste schepping. Voor Maria Magdalena en voor de apostelen was het toen op dat moment nog ver weg, maar voor ons getuigt het Paasevangelie van een nieuwe schepping die vannacht is ontsproten.

Het paasgeloof begint klein en aarzelend, maar de eerste lezing laat zien dat het vlammetje spoedig oplaait. We horen Petrus in krachtige bewoordingen Jezus’ verrijzenis verkondigen. Stond er in het evangelie nog dat ze niet goed wisten hoe en wat, de eerste lezing is een stevige Paaspreek! Waarbij de link of de sprong zit in het kleine zinnetje aan het einde van het evangelie ‘Hij zag en geloofde’. Begrijpen konden ze het allicht nog niet, maar geloven al wel.

Voor ons betekent het wat de tweede lezing ons voorhoudt: eenmaal tot geloof gekomen zijn we geroepen en bedoeld om onze aandacht voortaan gericht te houden op Hem die ons leven en onze verrijzenis is: ‘Zoekt voortaan Christus en zint op Hem’, met de opdracht het nieuwe leven hier en nu al waar te maken in ons eigen bestaan.

Niks geen verrijzenis, maar alleen de ontdekking van het lege graf. Geloof word je niet zomaar gegeven, maar daar moet je mee aan de slag. En die eerste christenen gaan aan de slag. Ondanks hun verdriet en angst, ondanks alles wat er gebeurd was, kwamen ze toch bij elkaar zoals Jezus gezegd had, ze braken het brood zoals Jezus gevraagd had, ze lazen de Schrift zoals toen met Jezus, ze waren er zoals eerder rond Jezus.

Bij hun samenzijn, hebben ze zich de oude verhalen herinnerd: van God van wie men geloofde dat Hij de Schepper was van hemel en aarde en men las in het scheppingsgedicht in het boek Genesis hoe God licht schiep in doodse duisternis. En ze vierden het joodse paasfeest, dat God het volk bevrijd had uit Egypte en ze lazen de verhalen hierover in het boek Exodus. En natuurlijk klonken er ook de geweldige beelden van al die oude profeten.

En ze voelden samen aan: zou die God die steeds in staat is gebleken iets nieuws te beginnen, ook nu niet opnieuw begonnen zijn? En gaandeweg, vierend, biddend, pratend met elkaar, ontstaat aarzelend, voorzichtig, fluisterend stilaan het gelovige besef ‘Jawel! De Heer is waarlijk verrezen, zoals Hij ook zelf gezegd heeft!’ En met die boodschap gaan ze op weg en worden wij vandaag bevestigd in geloof: ‘De Heer is waarlijk verrezen!’ Om net als Maria en de apostelen de vrede en vreugde van geloof overal te laten zien.

door: drs. Ed Smeets
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons