Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

5-4-2026

EXEGESE

‘Wij geloven in één Heer Jezus Christus…
die geleden heeft en is opgestaan op de derde dag’
(uit de geloofsbelijdenis van Nicea, 325)

Handelingen 10,34a.37-43
De perikoop begint tamelijk plechtig: ‘Petrus nam het woord’. De originele Griekse tekst is misschien nog plechtiger: ‘Petrus opende zijn mond en sprak’. Wat volgt moet dan ook begrepen worden als een belangrijke, officiële uitspraak. Verderop in de tekst maakt Petrus duidelijk dat zijn verklaring niet iets persoonlijks is maar een getuigenis van ‘allen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan’ (v. 40). Bijna zou je hier denken aan een soort dogmaverklaring door het hoofd van het apostelcollege, of van de kerk, in verbondenheid met de andere apostelen.

Wat betreft de inhoud van de toespraak laat Petrus allereerst zien hoe God in Jezus een totale omwenteling teweeg heeft gebracht. Waar Jezus eerst door de mensen ge- en veroordeeld was, terechtgesteld aan een kruis, is Híj nu door God aangesteld tot oordelende rechter van levenden en doden (v. 42).
Na de vermelding van die plechtige toespraak van Petrus (v. 34), gaat de perikoop verder met: ‘Jullie weten het Woord dat is geschied’ (v. 37) om daarna te verklaren: ‘wij zijn getuigen van alles wat Hij heeft gedaan’. Een eerste indruk zou kunnen zijn dat Petrus in de pluralis maiestatis spreekt, maar in feite betrekt hij de bekeerde heidenen in de groep van getuigen. Op deze manier opent hij de deur voor een actieve deelname van de gojim, de volken, aan het getuigenis omtrent de verrezen Heer.

Psalm 118 (117), 1-2; 16ac-17; 22-23
Deze psalm kan onderverdeeld worden in verschillende coupletten. Het eerste begint met een uitnodiging tot lofprijzing tijdens een liturgische dankdienst in de tempel te Jeruzalem. In onze tussenzang zijn het de verzen 1-2. In het derde couplet, waarvan in onze tussenzang de verzen 16-17 zijn opgenomen, klinkt een danklied om de overwinning. In de verzen 22-23 wordt de grote ommekeer bezongen bij het volk Israël, dat in angst leefde en door vijanden werd omringd maar door de Heer gered werd. Als een steen die door de bouwvakkers was afgekeurd, heeft de Heer hen tot hoeksteen gemaakt.
Dit loflied werd gezongen als een soort responsorium waarbij een cantor een vers zong dat de gelovigen vervolgens herhaalden.
v. 1 cantor: Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig, eindeloos is zijn erbarmen.
v. 2 volk: Stammen van Israël, dankt de Heer, eindeloos is zijn erbarmen.
v. 15 cantor: De rechterhand van God doet machtige dingen.
v. 16 volk: De rechterhand van God doet machtige dingen.
De vermelding van de hoeksteen werd in de vroege kerk opgenomen en toegepast op Jezus zoals te lezen is in Handelingen 4,11 en 1 Petrus 2,7.

Kolossenzen 3,1-4
De christenen van Kolosse waren blijkbaar allesbehalve eendrachtig. In de laatste verzen van hoofdstuk 2 van deze brief refereert de schrijver aan deze problematiek. De verzen van onze perikoop zijn een oproep aan de gemeente om zich te identificeren met Christus die verrezen is. Christelijke bezorgdheid moet niet uitgaan naar eten en drinken (2,16), vleselijk denken (2,18), wereldse bepalingen (2,20). Deze zijn puur menselijke zaken, schijnredenen. Richt u op wat bovenmenselijk is en vergeet niet dat u met Christus gestorven bent en met Hem deelt in de ware heerlijkheid.

Zie: H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46.

Sequentia
Deze hymne stamt uit de elfde of twaalfde eeuw. In dit lied wordt aan Maria Magdalena gevraagd wat zij gezien heeft bij het lege graf van Jezus (vgl. het evangelie van deze dag). Het lied eindigt met een triomfantelijke belijdenis waar uitgeroepen wordt: Scimus Christum surrexisse, wij weten dat Christus verrezen is.

Evangelie Johannes 29,1-10
Het paasverhaal van Johannes bevat een aantal boeiende elementen die sterk verschillen van de verhalen bij de synoptici.
In het eerste deel van het paasverhaal van Johannes is Maria Magdalena de hoofdfiguur. Over haar deden, en doen nog steeds, de meest bizarre opvattingen de ronde. Ze zou een prostituee uit Migdal geweest zijn, de minnares of zelfs de echtgenote van Jezus. In zijn evangelie schrijft Lucas dat Jezus zeven demonen bij haar zou hebben uitgedreven (Luc. 8,2). Bij de vermelding van die zeven demonen moeten we echter niet proberen om erachter te komen welke die zeven boze geesten geweest zouden zijn. Zeven is een symbolisch bijbels getal dat zoiets als hoogtepunt aanduidt. We kunnen hier denken dat het leven van Maria Magdalena één grote puinhoop was, erger kon het niet. Met hulp van Jezus heeft zij zich daaruit weten te bevrijden. Hij heeft haar leven een draai gegeven zodat het weer waard was geleefd te worden. Niet te verwonderen dat zij vervolgens met Jezus verder optrok. En dan, na een schijnproces, ontvalt Jezus haar, definitief, dood. Zal haar leven nu weer worden zoals het was voordat ze Jezus leerde kennen?

In tegenstelling tot de andere evangeliën gaat Maria Magdalena niet samen met andere vrouwen naar het graf, maar alleen. Evenmin is het haar intentie om het lichaam van Jezus te balsemen, dat had Nikodemus reeds gedaan (19,39v).
Het verhaal begint met ‘op dag één’, dus niet zoals in de meeste vertalingen te lezen staat: ‘op de eerste dag’. Bij de eerste dag begin je te tellen wat hier niet de bedoeling is. ‘Deze dag één’ is, evenals in Genesis 1,5, de dag waarop het scheppingsproces in werking wordt gesteld en dat de volgende dagen, de ‘tweede’, de ‘derde’, enz. bepaalt.

Verder wordt er van die dag één gezegd dat het, nog donker was, en niet ‘heel vroeg’ zoals in Marcus 16,2 ‘toen de zon opkwam’. Op ‘dag een’, toen de duisternis nog over de oervloed lag, zei God: ‘Laat er licht zijn’, en er was licht. De lezer/hoorder zal er zodoende attent op moeten zijn dat op ‘dag één’ in Johannes 20,1 de duisternis waarin Maria Magdalena zich bevindt, zal verkeren in licht, ook al heeft zij daar op dat uur nog geen idee van. De lezer zal even geduld moeten hebben om van deze omslag van duisternis naar licht getuige te kunnen zijn.

In veel culturen is ‘licht’ een symbool van ‘leven’ en ‘vrijheid’. Zodoende kan duisternis gezien worden als symbool van de ‘dood’ en ‘slavernij’. Maria Magdalena gaat dus de richting van de dood, van de onvrijheid, op, naar het graf van de dode Jezus. Maar waarom de dood, de slavernij opzoeken?

In hoofdstuk 11 van het vierde evangelie lezen we van de dood van Jezus’ vriend Lazarus. In die tekst merkt de apostel Tomas op ‘Laten ook wij maar gaan om met hem te sterven’ (11,16). Typisch is dat in veel vertalingen ‘Hem’ staat, met hoofdletter, wat de suggestie kan wekken dat het om de dood van Jezus gaat. In die perikoop is echter slechts sprake van de dood van Lazarus. Tomas spreekt over sterven met Lazarus, mogelijk om ‘tot geloof te komen’ (11,15).

Maria Magdalena is dermate gedesillusioneerd (het was donker) dat zij die in het leven zo nauw met Jezus verbonden was, nu ook in de dood bij Hem wil zijn, en misschien zelfs om ‘met Hem te sterven’. Dan doet zich echter een onverwacht en verrassend element voor: het graf is leeg. De evangelist houdt er echter de spanning nog in. Nog geen enkel teken van hoop, eerder van ontzetting: ‘Ze hebben de Heer weggenomen uit het graf en we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd’ (v. 2). Zelfs in de dood kan Maria niet rekenen op de aanwezigheid van haar Heer.

Een verrassend element in deze vertelling is dat Maria Magdalena na de ontdekking van het lege graf juist naar Petrus en de andere leerling gaat, om dan ook nog samen met hen naar het graf terug te keren. Haar verhouding met de apostelen, zeker met Petrus, was behoorlijk gespannen volgens het slot van het apocriefe Thomasevangelie waar Petrus zegt: ‘Laat Maria Magdalena van ons weggaan, want vrouwen zijn het leven niet waard, heeft Jezus gezegd’.

Na een wedloop komen de twee leerlingen aan bij het graf. En ofschoon Petrus pas aankomt na de andere leerling, laat deze hem als eerste het graf binnen gaan. Een kwestie van beleefdheid: de oudere voor laten gaan, of suggereert de auteur hier dat Petrus de erkende leider van de apostelen is en dat het aan hem toekomt om als eerste naar binnen te gaan en de situatie in ogenschouw te nemen om er dan later van te getuigen? Daarover geeft de evangelist geen uitsluitsel. Hij vertelt alleen maar dat Petrus de situatie binnen in het graf in ogenschouw neemt: de afwezigheid van het lichaam van Jezus en de lijkwaden netjes opgevouwen.

Vervolgens geeft de auteur een heel speciale opmerking door te vermelden dat de andere leerling (over zijn identiteit heerst nog altijd onzekerheid) ‘zag en geloofde (vertrouwde)’. Wat hij zag was wat Petrus ook al gezien had: een leeg graf en opgevouwen lijkwaden. En wat hij geloofde is nog verre van duidelijk. Zeker was dat niet een geloof in de verrijzenis van Jezus aangezien in het volgende vers staat dat zij de ‘Schrift nog niet kenden dat Jezus uit de doden moest opstaan’. Bovendien is het vreemd dat als het voor die leerling allemaal duidelijk zou zijn, hij dat dan niet aan de anderen ging verkondigen. We lezen alleen dat de twee weer naar huis gingen waar zij zich weer samen met de anderen opsloten ‘uit vrees voor de joden’ (v. 19). Bovendien moeten we voor ogen houden dat het geloof in de verrijzenis nog tamelijk recent was en zeker nog geen gemeengoed.

Na het vertrek van Petrus en de andere leerling blijft Maria Magdalena alleen achter in de graftuin. Met de vermelding van die tuin (19,41) lijkt de auteur een verbinding te maken met het Hooglied waar een jonge vrouw op zoek gaat naar haar geliefde (Hoogl. 3,1-3). En zoals zij tenslotte, na haar beminde gevonden te hebben, hem vastpakt, zo wil ook Maria Magdalena Jezus, die zij eerst voor de tuinman aanzag, vastpakken, maar dat werd haar niet toegestaan.

Zowel bij Johannes als bij de synoptici zien we hoe over de verrezen Heer alleen maar op beeldende manier gesproken wordt of kan worden: een leeg graf, opgevouwen lijkwaden, een tuinman, vastpakken. Er gebeurt namelijk iets dat ontsnapt aan onze controle. Maar wat daarachter steekt is volgens de evangelieteksten de essentie van de paasboodschap: Jezus leeft.
Johannes eindigt het eerste deel van zijn paasverhaal met een scène die niet in de perikoop van vandaag staat, namelijk dat Maria Magdalena, de apostola apostolorum, van Jezus de opdracht krijgt om bij de leerlingen over zijn verrijzenis te gaan getuigen (20,17v). Een vrouw (sic!) die de allereerste paaspreek gaat houden!

door: Gerard van Buul OFM
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons