Gods mysterieuze nabijheid
1.
‘Verhevenheid’ is geen goed woord voor Gods onbevattelijkheid. Het is juist Gods nabijheid die God zo ongrijpbaar maakt. Een God die geestelijk is, geheel buiten ruimte en tijd staat, onaanraakbaar door pijn en woede en onbewogen op afstand van alles, die is om zo te zeggen in zijn onbegrijpelijkheid begrijpelijk. Dat er naast onze werkelijkheid van beperkingen en eindigheid nog een andere is, dat is voorstelbaar. Het heeft zelfs een logica en met die logica kun je je in verloren uurtjes bezighouden. Maar noodzakelijk is het niet – je kunt het doen, maar ook laten. Je hebt er een hobby bij, maar je leven verandert er niet echt door. Maar als God de God is die zich toont in Jezus’ leven, sterven en verrijzen, dan raakt God onmiddellijk ons leven. Dan is Hij daar actief en dat verandert alles.
Dit wordt in het Johannesevangelie duidelijk in het verhaal over de bruiloft te Kana. Gods aanwezigheid heeft het effect van wijn op een bruiloft: zij maakt het feest. Als Nikodemus naar Jezus toekomt – in de verborgenheid van de nacht, zoals de evangelist Johannes ons laat weten (Joh. 3,2) – dan lijkt hij iets bespeurd te hebben van Gods activiteit via Jezus. Want, zo zegt hij, ‘alleen met Gods hulp kan iemand de tekenen verrichten die U verricht.’ Maar met de voortvarendheid die Jezus in het Johannesevangelie soms tentoonspreidt, laat Deze hem onmiddellijk weten dat vrijblijvende nieuwsgierigheid hem niet zal helpen. Een God die ertoe doet leer je alleen kennen als je bereid bent je door deze God te laten raken. Er zal hem daarom geen licht opgaan als hij niet opnieuw geboren wordt (Joh. 3,3).
De God die zich in Jezus’ optreden toont, laat zich niet op afstand houden. Deze God zet je voorstelling van God en je voorstelling van je eigen bestaan op losse schroeven. Deze God laat de wereld niet over aan het kwaad en de vergankelijkheid die haar aankleven, noch aan de pijn en de treurnis die daarmee gegeven zijn. Deze God redt de wereld door zich met deze wereld te verbinden. Zoals mensen zich in een huwelijk met elkaar verbinden met de bedoeling elkaars leven tot een ruimte te maken van overvloeiende vreugde en geluk.
2.
Welke God zou dat doen? Alleen een God die bewogen wordt door een onbegrijpelijke liefde. God kan best zonder de wereld, maar wil niet zonder de wereld, omdat God de wereld liefheeft. Zozeer dat Hij in Jezus zichzelf aan de wereld geeft en met de wereld op het spel zet.
Gods betrokkenheid bij de wereld spreekt uit de hele Bijbel. Uit onbegrijpelijke vrijgevigheid schept God de aarde, maakt haar bewoonbaar en bewoond, en noemt haar ‘zeer goed’ (Gen. 1,18). Als de eerste mensen zich aan deze liefde proberen te onttrekken, stuurt God ze de weerbarstige wereld in, maar beschermt hen tegen kou en hitte (Gen. 3,21). God roept Sara en Abram weg om de voorouders van zijn volk te worden (Gen. 12) en bevrijdt dit volk uit slavernij (Ex. 14). Steeds weer zinken ze opnieuw weg in de onderdrukking, maar steeds weer richt God ze daaruit op.
In de eerste lezing van vandaag drukt God tegenover Mozes de mysterieuze liefde uit die schuilgaat in de naam die God Mozes ooit vanuit de brandende doornstruik onthulde: Ik-zal-er-zijn. Hoe? Liefdevol en genadig; geduldig, trouw en waarachtig; trouw tot in het duizendste geslacht; schuld, misdaad en zonde vergevend, maar kinderen en kleinkinderen tot in het derde en vierde geslacht ter verantwoording roepend voor het kwaad dat zij bedrijven (Ex. 34,6-7).
3.
God is dus niet verheven boven goed en kwaad en relativeert ze niet. God identificeert zich echter ook niet volledig met wat wij als goed beschouwen, zodat ieder en alles dat met kwaad verbonden blijkt te zijn, het bestaansrecht verliest. Gelukkig maar, want dit kan in de wereld zoals zij is, ons allemaal treffen.
Onze redding is dat God zich tot het oneindige blijft inspannen om ons op het spoor van het goede te zetten. ‘Ik veroordeel je niet’, zal Jezus volgens het Johannesevangelie (8,11) zeggen tegen een vrouw die op overspel is betrapt. ‘Maar zondig niet meer.’
Zijn leerlingen draagt Hij volgens het Matteüsevangelie (18,22) op om zo nodig zeventig maal zeven keer te vergeven. Daarmee relativeert God het kwaad niet, maar maakt duidelijk hoe fundamenteel het goede voor Hem is. Als er ook maar enige kans bestaat dat het zich manifesteert, moet het die kans krijgen. Zelfs als het kwaad tot zijn eigen dood leidt, bidt Jezus volgens het evangelie van Lucas om vergeving voor de daders, ‘want ze weten niet wat zij doen’( 23,34). Dat komt pas bij zijn verrijzenis ten volle aan het licht als Hij voor zijn leerlingen definitief de Schriften ontsluit (Luc. 24,27).
Zo leven we dan in de ruimte van Gods nabijheid. De apostel Paulus vat samen wat dit betekent (2 Kor. 13,13). Door Gods onbegrijpelijke genade die in Jezus zichtbaar is geworden, die niet geïnteresseerd is in wat wij presteren en zelfs niet in wat wij zijn, maar zich naar ons toekeert omdat wij er zijn en met het oog op wat wij kunnen zijn, leven wij in onverbrekelijke verbondenheid met Gods liefde. Dit verbindt ons, in al onze verschillen en met de mogelijke conflicten die daar het gevolg van zijn, met elkaar. Gods toewending naar ons wekt in ons de aanwezigheid van de heilige Geest die voortaan onze geest verzekert dat wij kinderen van God zijn (Rom. 8,16).
4.
Gods Drie-eenheid wordt vaak als een ingewikkeld, nogal theoretisch deel van het christelijk geloof beschouwt. Zo gezien is het niet meer dan de uitdrukking dat God leeft en ons doet leven omdat Hij onherroepelijk van ons houdt. Dat is ingewikkeld noch theoretisch.
Gods betrokkenheid maakt het leven tot de lofzang die deze zondag in de woorden van Daniël opklinkt, zelfs al speelt het zich af in de brandhaarden van de geschiedenis. Dat dit mogelijk is blijft een mysterie, maar een mysterie dat ons meer nabij is dan wij onszelf nabij zijn, zoals de kerkvader Augustinus het ooit uitdrukte. Het is het mysterie dat God is en dat ons doet leven.
door: prof. dr. Erik Borgman OP
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03
