Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

31-05-2026

EXEGESE

Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig,
onder uw vleugels rusten wij.
(Liedboek 275)

Wie God ten volle is, blijft voor de mens een mysterie. In het spreken over dit mysterie wordt vaak teruggegrepen wordt op poëtische taal om iets te zeggen wat aan ons gewone spreken ontsnapt, of op theologisch-filosofische taal om dit op een abstracter niveau te doordenken. Het spreken over de Drie-eenheid, behoort tot dit theologisch-filosofisch taalveld. Het mysterie niet ten volle kunnen bevatten, is echter niet hetzelfde als zeggen dat God onkenbaar is. We kunnen God kennen in de wijze waarop God zich heeft laten kennen door zijn handelen in de tijd, de heilsgeschiedenis. De lezingen van vandaag laten iets zien over Gods aanwezigheid in de wereld en wie God wil zijn in relatie tot de mensen die bij Hem horen.

Exodus 34,4b-6.8-9
De eerste lezing start vandaag bij het moment waarop Mozes opstaat en opnieuw de berg Sinai beklimt om daar JHWH te ontmoeten. Aan deze episode is een heftige gebeurtenis voorafgegaan: het volk had in Mozes’ langdurige afwezigheid een gouden kalf gemaakt ‘als god die voor hen uit kan gaan’ (31,2) en dat kalf vereerd.

JHWH was woedend. Weliswaar had Hij door Mozes’ pleidooi afgezien van zijn plan om het volk te vernietigen (32,10-40), maar daarmee was de kous niet af. De relatie tussen het volk Israël en JHWH is ondanks de genomen maatregelen (32,26-29.30-32; 33,4-6.8-10) en een hernieuwde houding van eerbied van het volk voor JHWH zozeer beschadigd dat JHWH niet langer te midden van het volk aanwezig kan zijn. Mozes spreekt vanaf dat moment met JHWH in een tent – de ontmoetingstent – ver buiten het kamp. Mozes onderkent dat dit problematisch is voor zijn taak en kaart dit bij JHWH aan: ‘Als U niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken’ (33,15). Hij dringt aan op een persoonlijke ontmoeting waarin JHWH zijn heerlijkheid daadwerkelijk aan hem laat zien (33,18). JHWH honoreert zijn verzoek, zij het op een wijze waarop dit menselijkerwijs mogelijk is zonder te sterven (33,19-23). Nu is het zover.

Mozes heeft zich voorbereid zoals JHWH hem heeft gezegd (34,1-4) en bestijgt met een set nieuwe stenen tafelen in de hand de Sinai. Dan daalt JHWH af op een wolk, komt bij Mozes en maakt zich aan hem kenbaar door de naam ‘JHWH’ uit te roepen, precies zoals Hij Mozes gezegd had te zullen doen (33,19). Hij vult dit aan met een statement over Zichzelf een opsomming van eigenschappen – in het Joods middot genoemd – van Hemzelf als God: barmhartig (rachoem) en genadig (chanoen), geduldig (lankmoedig), groot (talrijk) in goedertierenheid (cheset) en trouw (emet); en hoe dit tot uitdrukking komt in zijn handelen: Hij is een God die goedertierenheid bewijst; tot in het duizendste geslacht (!) en die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft. Tegelijkertijd echter – voegt Hij toe – betekent dit niet dat ongerechtigheid onbestraft blijft; Hij is een God die het onrecht van de vader vergeldt tot in de derde of vierde generatie na hem.

Hoe moeten deze schijnbaar tegengestelde eigenschappen – JHWH’s goedertierenheid die zich concretiseert in vergevingsgezindheid enerzijds en JHWH’s rechtvaardigheid die vraagt om vergelding anderzijds – in relatie tot elkaar begrepen worden als ze elkaar niet uitsluiten? De getalswaarden verhelderen hoe beide eigenschappen in verhouding tot elkaar staan. Drie tot vier generaties is een aantal dat in een mensenleven is te overzien, het aantal generaties dat samenleeft, een huishouden vormt: kortom het is een menselijke maat. Duizend generaties daarentegen is van een grootte die het voorstellingsvermogen van de mens ver te boven gaat. JHWH’S goedertierenheid is dus van een heel andere orde, een goddelijke maat: voor de mens niet te bevatten, zo groot!

JHWH heeft in vergelijkbare bewoordingen gesproken over zijn goedertierenheid en gerechtigheid tegen Mozes bij de gave van de Tien Geboden (20,5v). Toch gebruikt JHWH deze persoonlijke ontmoeting om juist dit wederom over zichzelf kenbaar te maken. Wat opvalt is dat de volgorde van JHWH’s uitspraken deze tweede keer is omgekeerd! Bovendien vormen ze nu geen toelichting op JHWH’s eigenschap van na-ijver, maar op die van zijn goedertierenheid. Beide zijn eigen aan wie JHWH als God is, als waren het twee zijden van dezelfde medaille, maar bij deze ontmoeting plaatst JHWH nadrukkelijk de andere kant van de medaille naar boven waarmee deze ten volle in het zicht komt te liggen.

Na deze woorden van JHWH valt Mozes haastig op zijn knieën en aanbidt JHWH. De persoonlijke ontmoeting waarin JHWH zich van een andere kant laat zien, heeft de laatste drempel om tot verzoening te komen beslecht. Vertrouwend op JHWH’s woorden over wie Hij is, vraagt Mozes als deelgenoot van het volk (hij spreekt nu in de wij-vorm) namens zijn volk om vergeving en om volledig herstel van de relatie: ‘Trek dan met ons mee […] en beschouw ons als Uw eigen bezit’ (v. 9).

Daniël 3,52-55
Het responsorium is een loflied over de grootsheid van God. Het is geen psalmtekst maar een strofe uit het lied dat gezongen wordt Chananja (=JHWH begenadigt), Misaël (= wie is als God), Azarja (= JHWH helpt). Dat zijn hun Hebreeuwse namen. Zij kregen Babylonische namen toen zij aan het hof van Nebukadnessar gingen werken: Sadrach, Mesach en Abednego (Dan. 1,7). Het loflied maakt deel uit van een tekstgedeelte uit het boek Daniël dat alleen in de Griekse tekst van de Septuagint overgeleverd is, daarom wordt het gerekend tot de Deuterocanonieke boeken van het Oude Testament (Toevoegingen aan Daniël).

Het verhaal waartoe het loflied behoort, speelt zich af in het Babylonische Rijk ten tijde van de ballingschap. Sadrach, Mesach en Abednego zijn drie joodse metgezellen van Daniël die als bestuursambtenaar werkzaam zijn aan het hof van Nebukadnessar, koning van Babylonië (605-562). Nebukadnessar heeft een gigantisch gouden beeld laten maken en roept alle vertegenwoordigers van de volkeren van zijn rijk bijeen om in een ceremoniële bijeenkomst voor het beeld te buigen.

Het drietal weigert en wordt op bevel van Nebukadnessar in een gloeiendhete vuuroven gegooid. Maar tot Nebukadnessars verbijstering verslindt het vuur hen niet, maar ziet hij ze vrij rondlopen in de oven, vergezeld door een vierde persoon. Wanneer zij op zijn bevel uit de vuuroven naar buiten komen, blijken ze volstrekt ongedeerd te zijn. Het Griekse tekstgedeelte beschrijft het gebeuren vanuit het perspectief van Chananja, Misaël en Azarja: zodra het drietal in de vuuroven belandt heft Azarja een smeekgebed aan tot JHWH; een engel verschijnt die op wonderlijke wijze van de oven een koele ruimte maakt. Als antwoord op deze redding van Godswege zingen de mannen een klinkend loflied tot zij gehoord worden door Nebukadnessar en hij hen beveelt naar buiten te komen.

Het responsorium beslaat de openingsverzen van dit loflied. JHWH wordt rechtstreeks geadresseerd in een zich herhalend ‘geroemd/gezegend ben jij…’ (eulogètos ei/benedictus es), gevolgd door superlatieven om de grootsheid van God uit te drukken (vv. 52-55). Het is een krachtige belijdenis die voortvloeit uit de aan den lijve gevoelde ervaring van Gods reddende handelen. Van lof overlopend, sporen zij vervolgens ook de gehele schepping aan om God te eren in de vorm van een meeslepende litanie waarin de elementen van de schepping één voor één worden aangeroepen (vv. 55-88); een litanie die uitmondt in een oproep tot dankgebed omwille van JHWH’s barmhartigheid (vv. 89-90).

2 Korintiërs 13,11-13
De tweede lezing is de enige lezing vandaag waarin de heilige Geest wordt genoemd en wel in één adem met God en Jezus Christus. Het betreft de slotverzen van de brief, waarvan de tekst eindigt met woorden die heden ten dage zo vertrouwd in de oren klinken: ‘De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen.’ Deze woorden vormen de vaste formule van de openingsrite in de rooms-katholieke eucharistieviering uitgesproken door de priester nadat door de gehele gemeenschap een kruisteken is gemaakt met de woorden: ‘In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.’ Het kruisteken: het teken bij uitstek waarin het christelijk geloof in de Drie-Ene God tot uitdrukking wordt gebracht, een lichamelijk belijden van juist dat onuitsprekelijke mysterie in woord en gebaar.

Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68.

Johannes 3,16-18
De evangelielezing uit Johannes volgt op het gesprek van de joodse leider en Farizeeër Nikodemus die ’s nachts naar Jezus is toegekomen (3,1). Nikodemus kan niet bevatten wat Jezus bedoelt wanneer Hij spreekt over het ‘opnieuw geboren’ moeten worden uit water en geest om het koninkrijk Gods binnen te kunnen gaan. Hoe zou Nikodemus ook? Het gaat immers om hemelse zaken en die liggen buiten zijn bereik. Maar niet buiten die van de Mensenzoon. Het vraagt dus om vertrouwen in de getuigenis die Jezus afgeeft, om geloof in wat Hij zegt, in wie Hij zegt te zijn.

In vers 14 probeert Jezus opnieuw te verhelderen wat zijn rol is in relatie tot het koninkrijk Gods, met behulp van een vergelijking met een oud beeld uit de Schrift, een beeld dat Nikodemus zeker gekend zal hebben: Mozes die een slang heeft verhoogd (Num. 21,4-9). De verhoogde slang is een teken van redding (Wijsh. 16,5-10). Ook de Mensenzoon moet verhoogd worden om te bewerkstelligen dat iedereen die gelooft in Hem, eeuwig leven zal hebben – zijn verhoging als teken van redding dus.

Wat dat ‘verhoogd worden’ precies betekent, legt Jezus verder niet uit – dat de evangelist hier vooruitwijst naar de kruisiging is alleen met kennis achteraf te begrijpen. Het gaat Jezus erom – in het hier en nu van de verteltijd – iets uit te leggen over wie Hij is en waartoe Hij is gekomen. Zijn komst is een Godsgeschenk aan de wereld, een uiting van Gods liefde voor de mensen. Een liefde van onvoorstelbare omvang: God schenkt zijn Zoon, zijn enige Zoon. Ook nu laat Jezus onbenoemd wat dat geven tot in zijn uiterste consequentie zal betekenen. De focus van zijn spreken blijft gericht op de bedoeling (telos): het gaat primair om redding van de wereld!

De intentie waarmee de Mensenzoon aan de wereld is gegeven, is om de wereld niet verloren te laten gaan, maar juist om eeuwig leven te geven; met andere woorden het gaat om het verschaffen van toegang tot het koninkrijk Gods. Is het dan niet de taak van de Mensenzoon om te beoordelen aan wie die toegang wordt verschaft? Nee, zegt Jezus bij de evangelist Johannes, dat oordeel ligt in wezen bij de mensen zelf, in hun besluit om wel of niet te vertrouwen/geloven in Hem, in Gods eniggeboren Zoon en zijn getuigenis. Of zoals Johannes de Doper in de daaropvolgende perikoop voor zijn leerlingen samenvat: ‘Wie in de Zoon gelooft, bezit eeuwig leven, maar wie niet naar de Zoon wil luisteren, zal het leven niet zien.’ (v. 31). Een keuze, bovendien, die ook blijkt uit de levenswandel (vv. 19-21).

Literatuur
Dietzfelbringer, Christian, Das Evangelium nach Johannes Teilband 1: Johannes 1-12. ZB. Zürich: Theologischer Verlag Zürich, 2004.

Dohmen, Christoph, Exodus 19-40, Freiburg: Herder, 2004.

door: M.F. Vroege-Crijns BA
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.42.5
Volg ons