Wanneer we op zoek gaan naar verbanden tussen de teksten die voor de dienst op deze Goede Vrijdag bijeen zijn geplaatst, kunnen we eerst bezien waar het Johannesevangelie in het paas- en (dus ook) passieverhaal zou kunnen herinneren aan het laatste lied van de knecht van JHWH uit (het tweede deel van) het boek Jesaja.
Jesaja 52,13–53,12 en Johannes 18,1–19,42
In de (volgens Veerkamp) eerste grote verteleenheid – na de inleidende vertelling van de arrestatie van Jezus en het verhoor door de leidende priester, dat in dit evangelie inhoudelijk weinig voorstelt (Joh. 18,1-27) – vindt een voortdurende afwisseling plaats van scènes waarin Pilatus pogingen doet tot verhoor van Jezus binnen het pretorium, en zijn overleg of confrontatie met de hoogste priesters en hun dienaars daarbuiten, die niet naar binnen willen gaan vanwege het naderende Pesachfeest (Joh. 18,28–19,16). De grote vraag daarbij voor Pilatus is, of Jezus zich inderdaad als koning over Judea heeft opgeworpen, zoals de beschuldiging luidt. Hij vindt daarvoor geen grond, en ontdekt dat de hogepriesters de voorkeur geven aan de vrijlating van Bar-abbas (ook een zoon van de vader), de terrorist (lèstès, 18,40). Hij lijkt op een van de aanvoerders van de latere, ook messiaanse maar anders-messiaanse, opstandige beweging die op de catastrofe van de joodse opstand zal uitlopen (en voor de aantrekkingskracht waarvan Simon Petrus gezien Joh. 18,10v. evenmin ongevoelig blijkt).
Pilatus doet wel een concessie aan de priesterelite. Hij laat Jezus door zijn soldaten in het gezicht slaan en van een doornenkroon voorzien. Twee woorden hier herinneren aan de passage in Jesaja 50,4-9, waar de knecht zegt: ‘mijn rug heb ik prijsgegeven aan wie sloegen (mastigoun), mijn wangen gaf ik prijs aan kaakslagen (rapísmata)’: dat is een houding van niet-gewelddadige weerstand. Vervolgens presenteert de politicus de aldus toegetakelde aangeklaagde aan de priesters met de woorden: ‘Zie, de mens’ (Joh. 19,5).
Zonder het te weten zinspeelt hij daarmee op wat de schriften zeggen over de knecht: ‘veracht en opgegeven door de mensen, mens (isj, ‘man’) van smarten, bekend met ziekte, als één voor wie men het aangezicht verbergt’ (Jes. 53,3). Bij de profeet voegen de vertegenwoordigers van de volkeren daaraantoe: ‘Wij hebben niet met hem gerekend, maar waarlijk, onze ziekten heeft hij gedragen, onze smarten heeft hij getorst; wij hebben hem getekend als een geplaagde, geslagen door God en vernederd, maar hij werd doorboord om onze misdaden’ (Jes. 53,3cd-5a).
Dat is een opmerkelijke uitspraak. Niet alleen herkennen de woordvoerders van de volken in deze geplaagde mens een spiegel van hun eigen handelen, namelijk van de kwetsuren die ze vanuit hun machtswil bij anderen aanbrengen, maar ook brengen ze tot uitdrukking dat wat ze bij hem waarnemen, henzelf ten goede komt: dat beweegt zich op de rand van wat er over het heil dat van de rechtvaardige uitgaat als goede boodschap voor misdadigers te zeggen valt.
Johannes drukt het plaatsvervangend handelen van Jezus uit met een ander beeld. Evenals in de andere evangeliën komt hier de figuur in het spel van Bar-Abbas (‘zoon van de vader’, in het Aramees), van wie Jezus de plaats inneemt. Deze Bar-abbas is een terrorist (lèstès), een voorloper van de gewelddadige Zeloten. De religieuze en politieke en religieuze leiders van Judea eisen zijn vrijlating, en daarmee de ondergang van Jezus. Pilatus de politicus zal daar niet blij mee zijn geweest, maar hij heeft de tempelelite zelf de keus gelaten. Pilatus kan in Jezus namelijk niet meer dan een armzalig wezen zien, een karikatuur van koningschap. De heersende kerk denkt er weinig anders over, en ontbeert zelfs de humor om hier het woord ‘koning’ in de mond te nemen. Maar de gemeente die hóórt, weet anders. Wellicht geldt dit ook wanneer, nadat de priesters bij deze deal definitief hun volstrekte loyaliteit aan caesar hebben uitgesproken (Joh. 19,15), Pilatus Jezus overlevert om de kruisdood te ondergaan, en Jezus vervolgens zelf zijn kruis draagt (Joh. 19,17); doet ook dát de getrouwe hoorder niet denken aan het slot van dit lied van de knecht: ‘De zonde van de velen heeft hij gedragen, voor de misdadigers staat hij in’ (Jes. 53,12)?
Wanneer dan, als tegen de avond de ‘voorbereiding’ voor het pesachfeest is aangebroken, de soldaten vaststellen dat Jezus al gestorven is, ‘breken ze zijn beenderen niet’ (Joh. 19,36). De evangelist denkt daarbij aan het gebod uit het uittochtverhaal, dat van het Pesachlam ‘geen been zal worden verbrijzeld’ (vs. 36; Ex. 12,10.46 LXX). Het Pesachlam herinnert aan Jesaja 53, alwaar in vers 7 staat: ‘zoals een lam dat naar de slacht gebracht wordt, doet hij zijn mond niet open’. Daarbij kunnen we bedenken, dat de Palestijnse Targoem bij het verhaal van de geboorte van Mozes een woordspel aanbrengt tussen het Aramese woord talya, ‘lam’, en de talya d’Elaha, de ‘knecht van de Heer’ (Deurloo 2006, 115).
Datzelfde woordspel lam/knecht kan ook bij Johannes doorklinken. Het is onvoorzichtig, dit ‘lam dat ter slachting wordt geleid’ te snel met een offerhandeling in verband te brengen. Het duidt er allereerst op, dat dit jonge dier onschuldig tussen de wielen raakt (Kroon, geciteerd in Van den Herik 2024, 86). Over een al dan niet cultische betekenis van asjam (gave, schuld) in Jes. 53,10 bestaat onder uitleggers ook allerminst eenstemmigheid (Visser 2021, 197; ook Moffit 2022, 52v.). Het paaslam is evenmin een offerdier. Wanneer het geslacht is, zal het bloed aan de huisdeuren van de kinderen Israëls het grote onderscheid aanduiden tussen hun bestaan en de op bloed van slaven gebouwde welvaart in het rijk van farao, dat ten einde komt. De paaslammeren nu worden – in Jezus’ tijd nog: op het tempelplein – in gereedheid gebracht om in die huizen te worden gegeten. Dít ene paaslam wordt geslacht vanaf het zesde uur (Joh. 19,14), anders dan bij de synoptische evangeliën waar een etmaal eerder de seideravond is gevierd. Zó kan de conclusie luiden: ‘ons paaslam is geslacht: Christus’ (1 Kor. 5,7), en de gedachtenis dáárvan kan voortgaan ook wanneer de tempel en de daarbij behorende elite vergaan zijn, tot de dag van heden!
Psalm 31
Psalm 31 is een lied vol klacht én vol vertrouwen. Een klacht, zoals in de verzen 18-23 verwoord, komt de Johanneïsche Jezus vanaf het kruis evenwel nu net niet over de lippen. Daarvoor gaat de Mensenzoon té soeverein het volbrengen van zijn werk (Joh. 19,30a) tegemoet. Lucas haalt wel het zesde vers aan: ‘in Uw hand beveel ik mijn geest’ (Luc. 23,46), en dat past ook geheel in het derde evangelie, waar de Geest Jezus doet ontvangen worden (Luc. 1,35), op Hem neerdaalt (Luc. 3,22) en Hem aandrijft (Luc. 4,1) om dan tenslotte weer aan de Schenker terug gegeven te worden, maar Johannes zegt het anders: ‘het hoofd buigend leverde Hij de geest over’ (Joh. 19,30b). Judas levert Jezus over aan de soldaten van de priesters (Joh. 18,2.5.36; 19,11), dezen op hun beurt leveren Hem over aan Pilatus (18,30.35) en Pilatus levert Hem over tot zijn kruisiging (19,16). Maar Jezus zelf levert de Geest over, zodat zijn overlevering, die bij Juda(s) inzette, van dan af voortgang vindt. Bij Johannes valt Pinksteren dus al op Goede Vrijdag (Naastepad, 57).
Hebreeën 4,14-16; 5,7-9
De twee fragmenten uit de Hebreeënbrief tenslotte spreken over Jezus als de hogepriester, die in zijn aardse leven deelhad aan onze zwakheden, verzocht is geweest (Heb. 4:15), in grote angst met smeekbeden om verlossing heeft geroepen, en op die wijze gehoorzaamheid heeft geleerd (Heb. 5,7-8). Net als de psalmwoorden past dit beeld minder bij de soevereine Mensenzoon van het Johannesevangelie. Een dramatische schreeuw tot de Vader vanaf het kruis vernemen we daar niet. Het is ook de vraag, of Johannes Jezus wel als een hogepriester ziet die, zoals de Heidelbergse Catechismus zegt, ‘tijdens heel zijn leven, maar in het bijzonder aan het einde daarvan, Gods toorn tegen de zonde gedragen heeft’ (HC Z 55/ vr. 37). Het lam Gods bij Johannes draagt de zonde wel, maar draagt deze vooral wég (Joh. 1,29). En Hij verschijnt wel voor de hogepriester, Annas (Joh. 18,13), maar die maakt weinig indruk, net als zijn schoonzoon Kajafas (vgl. Joh. 11,49v). Er is zelfs voorgesteld, als de eigenlijke hogepriester de arme Lazarus te beschouwen, die naar zijn Hebreeuwse naam Eleazar heet, de kleinzoon van Aäron, tegenover wie Jozua=Jezus dan als de koninklijke redder verschijnt (Num. 27,19; Boendermaker/Monshouwer 1993, 140v.). In de Hebreeënbrief kan de aardse Jezus trouwens ook geen hogepriesterambt vervullen, omdat Hij niet uit het huis Levi maar uit Juda stamt (Heb. 7,14). De verhoring van zijn aardse angsten is pas gekomen na de verlossing uit de dood, ofwel zijn opstanding (Heb. 5,7; Moffitt, 75). En zijn hogepriesterschap ‘naar de orde van Melkhi-tsèdèk’ (Psalm 110,4) is Hem pas verleend nadat Hij ‘de hemelen doorgegaan is’ (Heb. 4,14), na zijn hemelvaart en zijn verheffing ter rechterhand van de Allerhoogste dus (Moffitt, 129). In zijn aardse leven vervulde Hij geen priesterlijk ambt, maar zijn aardse lot heeft Hem wel bij uitstek geëquipeerd om ons vanuit de hemelen blijvend bij te staan en tot voorspraak te zijn wanneer wij vrijmoedig tot Hem naderen (Heb. 4,16).
Literatuur
Th.J. M. Naastepad, Pasen en passie bij Johannes Deel 2, Kampen: Kok, 1986.
J.P. Boendermaker en D. Monshouwer, Johannes. De evangelist van de feesten. Het vierde evangelie als liturgische catechese, Zoetermeer: Boekencentrum, 1993.
Karel Deurloo, Onze lieve vrouwe baart een zoon. Kleine bijbelse theologie deel III, Kampen: Kok, 2006.
Ton Veerkamp, Der Abschied des Messias. Eine Auslegung des Johannesevangeliums, TuK 30 (2007) nrs. 113-115 (met een ‚überarbeitete Ausgabe‘ van vertaling en aantekeningen in 2015).
Marco Visser, ‘Pars pro toto. Analyse van het pars pro toto in het werk van F.H. Breukelman en uitwerking aan de hand van de teksten over de knecht van JHWH in Jesaja. Een bijbels-theologisch onderzoek’, ACEBT 18, 2021.
David M. Moffitt, Rethinking the Atonement. New Perspective’s on Jesus’s Death, Resurrection, and Ascension, Grand Rapids Mi.: Baker Academic, 2022.
Jurgen van den Herik, In gesprek met Israël. Theologisch portret van Kleijs Kroon, Middelburg: Skandalon, 2024.
door: prof. dr. Rinse Reeling Brouwer
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02
