Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

29-3-2026

EXEGESE

Matteüs 21,1-11; 26,14(27,11-54)-27,66
De ietwat wonderlijke montage van verschillende fragmenten uit het lijdensverhaal van Matteüs heeft tot doel het thema van Palmzondag met dat van het lijdensverhaal te verbinden. Dat is niet zonder risico: het is zonneklaar dat de menigte Jezus als Messias (= zoon van David) binnenhaalt. Dat een dergelijke manifestatie explosief kan zijn in het oog van de Romeinse bezetter behoeft geen betoog. Vooral rond Pasen was het besef levend dat de farao in de gedaante van de Romeinse keizer rondwaarde en dat bevrijding: van duisternis naar het licht van de bevrijding, geboden was. Overigens suggereert het liturgisch leesrooster een opeenvolging van de intocht in Jeruzalem en het lijdensverhaal, maar het evangelie kan heel goed twee ver uit elkaar liggende gebeurtenissen hebben willen aanduiden. Jezus onthield zich van provocaties, maar dat geldt wellicht niet voor al zijn leerlingen, terwijl de kruisdood van Jezus toch wel een poging van de Romeinen was, hierbij geadviseerd door de joodse leiders van de tempel (niet de farizeeën), om de onrust van de menigte in te dammen.

Matteüs schreef echter decennia later en projecteerde de groeiende verwijdering tussen synagoge en de eerste (joodse) christenen terug op de beschrijving van het lijdensverhaal, inclusief de betrokkenheid van farizeeën, die historisch gezien juist dicht bij Jezus stonden. Vandaar bij Matteüs de beruchte zin: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’ (27,25), een massieve beschuldiging van heel het volk! Dat staat wel haaks op de intocht in Jeruzalem en ook op terloopse zinnetjes zoals: ‘vele vrouwen keken op een afstand toe. Ze waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zorgen’ (27,55), en ook, na de parabel van de misdadige wijnbouwers die wel ten onrechte als substitutie van Israël door de kerk wordt uitgelegd: ‘Ze (de leiders) vreesden het volk want dat beschouwde Jezus als een profeet’ (21,46, vgl. 21,11). Het volk stond dus in grote getale achter Jezus.

Typerend voor Matteüs zijn de talrijke ‘bewijsplaatsen’ uit de Hebreeuwse Bijbel (of Septuagint); zo ook het citaat uit de profeet Zacharia 9,9 waaruit blijkt dat het rijden op een ezel teken van de Messias is. Dat het parallellisme bij Zacharia slechts één ezel bedoelde (vgl. ook Mar. 11,2), terwijl Matteüs er twee heeft begrepen, is verder van weinig belang. Belangrijker is de symboliek van de ezel, die in tegenstelling tot het rijden op een paard, voor eenvoud staat. De berijder, de Messias is dan ook zachtmoedig, een koningschap dat in alle opzichten het omgekeerde is van de machthebbers van deze wereld. We vinden datzelfde motief al vanaf het Magnificat bij Lucas tot aan Jezus voor Pilatus en dus ook hier, als kenmerk van de Messias.
Dat koningschap dat ‘niet van deze wereld is’, mag niet worden verstaan als apolitiek of als een louter spirituele zaak, maar als een weerloze overmacht die sterker is dan de macht van wapens en geld. Daarin te geloven én ernaar handelen is de opdracht van de messiaanse gemeente die kerk heet.

Zowel de uitroep: ‘Hosanna, zoon van David’, als de symboliek van de ezel en de lof van (palm)takken maken duidelijk dat de intocht in de stad Jeruzalem als messiaans moet worden beschouwd. Recente pogingen om de betekenis van Jeruzalem en Palestina voor het nieuwe Testament af te zwakken lijken niet geslaagd: Jeruzalem en de tempel, die in 70 nChr. door de Romeinen werd verwoest, maakten een nieuwe theologie van de tempel nodig voor de eerste christenen, maar in onze perikoop vinden we dat nog niet terug. Het land Palestina speelt wellicht daarom een geringe rol in de evangeliën als landbelofte, omdat Jezus en zijn leerlingen daarin feitelijk onbevangen woonden, met een gemengde bevolking, onkundig van het feit dat daarover 2000 jaar later zo fel zou worden gestreden.

Jesaja 50,4-7
In het verleden werden passages uit de Hebreeuwse Bijbel als directe profetieën, voorspellingen gezien van het optreden van Jezus. Vreemd genoeg kwam de eigen boodschap van zo’n tekst dan niet goed uit de verf, terwijl die pas dan ook zinnig op Jezus kan worden betrokken. Jesaja spreekt over profetisch onderricht aan Sion dat zich getroost zal weten en over een boodschap aan de volkeren der wereld (51,4). Particularisme en universalisme gaan dus hand in hand, zonder dat de een tegen de ander wordt uitgespeeld.

In onze perikoop wordt benadrukt dat een profeet ondanks dat veel heeft te verduren: slagen op de rug, uitrukken van de baard, bespuwing. Geen wonder dat de kerk hierin een voorzegging van het lijdensverhaal heeft gezien. Maar desondanks houdt de profeet van zijn volk: dat zouden christenen moeten bedenken willen ze anti-joodse prediking vermijden, waarbij het jodendom (onhistorisch) de volledige verantwoordelijkheid voor de kruisiging van Jezus (een Romeins executiemiddel voor niet-Romeinen, slaven) krijgt toegeschoven. Indrukwekkend is hoe Jesaja God als pleitbezorger te hulp roept tegen zijn belagers: ‘Nabij is Hij die mij vrijspreekt, wie spant een rechtszaak met mij aan? …Zie de Heer staat mij bij, wie veroordeelt mij dan nog’? (50,8v). Dit is nogal verwant aan hoe Job zijn rechtsgeding voert: ‘Ik weet dat mijn Losser/Verdediger leeft!’ (Job 19,25).

Psalm 22
Psalm 22 vormt al in de evangeliën zelf het decor van het lijdensverhaal. Sommige psalmen bestaan uit twee stemmingen: agressie/ wanhoop tegenover vrede/Godsvertrouwen, waarbij de biddende mens als het ware meegenomen wordt van de eerste naar de tweede stemming. Zo ook Psalm 22. Bijzonder is de uitleg van de joodse filosoof Erich Fromm: hij betoogt dat de spil van de psalm wordt gevormd door een woord dat in veel vertalingen wordt weggelaten omdat ze er geen raad mee weten: ‘anitani = Gij hebt mij geantwoord (v. 22). De verlatenheid zowel van de moederschoot (22,10) als van vaderlijke richtlijnen (22,5) is immens: noch overgeleverde wijsheid noch geborgenheid lijken nog troost te bieden, een existentiële crisis die heden ten dage ook is aan te wijzen. Dit alles maakt plaats voor uitzicht, gemeenschap en Godsvertrouwen en wel door een onverwacht aangesproken worden, een antwoord dat alles anders maakt. Lofzang blijkt mogelijk, ja het blikveld reikt tot aan de uiteinden der aarde, zo sterk is het isolement doorbroken. Het einde van de psalm: ‘Omdat het door Hem is volbracht’ (22,32), zou zelfs doorklinken in het kruiswoord: ‘Het is volbracht’.

Geen wonder dat de synagoge, misschien wel enigszins in competitie met het vroege christendom, deze zelfde psalm heeft toegepast op Esther, bevrijder van haar volk ondanks dat ze werd belaagd door hovelingen aan het hof en met name door Haman.

Filippenzen 2,6-11
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95

door: prof. dr. Marcel Poorthuis
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons