Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

28-12-2025

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

Preekvoorbeeld

Toen het feest van de heilige Familie in de Rooms-Katholieke Kerk werd ingevoerd (1893), gebeurde dat om de nadruk te leggen op de waarde van het gezin van een vader, moeder en kinderen als een grote waarde. Die waarde was er zowel voor het kerngezin op zichzelf als voor de samenleving. Het was ook een protest tegen de poging van de communistische staat in Rusland om het kerngezin te ontmantelen. Er valt veel te zeggen voor die verdediging, al is het moeilijk om er bijbelse teksten voor te vinden die precies hetzelfde doen, omdat het kerngezin pas in de moderne tijd de heersende vorm werd van familie-samenleven. In de bijbelse tijd, maar ook in de Middeleeuwen woonden vaak meer gezinnen (in de moderne betekenis) samen in een familie, waar een grootvader of overgrootvader de patriarch was en men soms wel twintig broers of zussen had, waar we in de moderne tijd zouden onderscheiden tussen echte broers of zussen en neven en nichten. In Matteüs 12,46-50 wordt verteld, dat de moeder van Jezus en een stel broers Jezus willen spreken, misschien om Hem te ontvoeren, omdat er zoveel geruchten over Hem de ronde doen, dat ze vrezen dat Hij de naam van de familie zal schaden. Daar is de katholieke uitleg dat die broeders leden van het grotere familieverband zijn, vooral ingegeven omdat een schare broers in de moderne zin van zonen van de zelfde moeder en vader zou strijden met het geloof dat Maria altijd maagd gebleven is. Die uitleg is niet onwaarschijnlijk, omdat het kerngezin in die tijd dus inderdaad geen normale samenlevingsvorm was.

Nu zijn een aantal trekken van dat grotere samenlevingsverband nog steeds ook van waarde voor het kleinere gezin. In het grotere familieverband blijft een primaire ervaring van een kind, dat het geboren wordt te midden van mensen, die zorg voor hem of haar dragen. In die kring leer je een taal, in die kring krijg je aanwijzingen over hoe dat gaat: samen het leven delen, je leren schikken naar anderen en tegelijk ook iemand met een eigen karakter worden die zelf iets terug te geven heeft aan de gemeenschap. Dat er daar respect gevraagd wordt voor de ouderen en wat zij je geleerd hebben is een grondwaarde voor menselijk samenleven. Natuurlijk zal de vorm die dat krijgt per tijd verschillen, maar een goede omgang met de cultuur die je ontvangen hebt vraagt zowel om dankbaarheid en respect als om kritische zin en vrijheid. De pogingen om kinderen groot te laten worden zonder ze enige vorm van taal en cultuur mee te geven –en het is echt geprobeerd- hebben altijd de dood van de kinderen tot gevolg gehad. Vandaar dat dankbaarheid terecht gevraagd wordt voor wat je van de ouderen uit je jeugd hebt meegekregen. Die dankbaarheid en dat respect sluiten niet uit, dat je ook kritiek hebt op onderdelen van je opvoeding en dat je die cultuur beter wilt doorgeven dan je haar ontvangen hebt. Zo ben ik zelf echt dankbaar voor de Achterhoekse cultuur die ik van mijn ouders, mijn broers en zussen, overige familie en van de school en kerk van ons dorp heb meegekregen. Ik ben ook blij, dat ik met een bredere cultuurkring heb kennis gemaakt op de middelbare school en later op de universiteit bij mijn theologische opleiding, al zag ik daar ook wat beperkingen van mijn oorspronkelijke opvoeding. Dat hele proces herhaalde zich ten opzichte van de vorming die ik in de theologie ontving. Sommige ontwikkelingen in de zestiger jaren waren heel erg goed en broodnodig voor onze kerk, op sommige gebieden ontspoorden we ook wel eens.

Die dubbelheid van gehoorzaam respect en kritische vrijheid vormt juist als combinatie menselijke wijsheid. Juist vanwege die wijsheid zullen ouderen waarschijnlijk hun kinderen zo opvoeden, dat zij op dezelfde wijze door hun kinderen bejegend worden en dat dit ook in vrede kan plaats vinden. In die zin geldt de Wijsheid van Jezus Sirach nog steeds, ook in de verschillende vormen van het kerngezin, die wij tegenwoordig kennen. Ik bedoel nu de vorm van een vader en moeder met kinderen, van twee mannen of twee vrouwen met kinderen en van gezinnen, waarbij er kinderen zijn uit voorgaande verbindingen met kinderen uit het huidige verband (wat wel eens “patchworkfamilies” genoemd wordt).

Tegenwoordig is het kerngezin een eigen wereldje: de meeste kinderen groeien op met één of twee directe ouders en wat bloedverwanten eromheen, opa’s, oma’s, ooms en tantes, neven en nichten. De kerk heeft dat verdedigd, maar tegelijk is het haar erom gegaan, dat ouders dit gezinsleven ook als dienst aan de samenleving ervaren, zelf actief zijn in het grotere samenlevingsverband en hun kinderen al doende leren dat ook te doen.

We zien hoe Jozef en Maria dit uit noodzaak ook doen met betrekking tot hun kind. Ze moeten vluchten voor bedreigende machten in hun eigen land en dus vluchten ze met hun kind naar Egypte. Het kind leert Egypte kennen, zoals eens Israël toen het vanwege hongersnood moest vluchten en dankzij Jozef daar welkom ontvangen werd. Later werden ze er slaaf. Maar net zoals Israël uit Egypte terugkeerde naar het land, keerde ook Jezus met zijn ouders terug. Jezus heeft aan den lijve Israëls geschiedenis ervaren: Hij heeft de schoonheid en de donkere kanten van Israëls geschiedenis en van Egypte leren kennen. Deze ervaring maakte het Jezus mogelijk zijn volk Israël te belichamen en vanuit die traditie zijn volk toe te spreken, en ook de volkeren uit te nodigen te delen in de omgang met de God, die Schepper is van alles en heil wil zijn voor allen.

De lezingen voeren ons weg van al te grote knusheid van het kleine gezin, maar juist dat kan van grote dienst zijn voor dat kleine gezin.

door: prof. dr. Jozef Wissink

bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06

Aanvullende inspiratie, achtergronden en aantekeningen

>> Ga via deze link naar Preekinspriatie bij Matteüs 2,13-23

 

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons