Sirach 3,2-6.12-14
De verzen uit de Wijsheid van Jezus Sirach die de eerste lezing van deze feestdag vormen, staan in het teken van een tamelijk behoudende en hiërarchische gezinsmoraal. Kinderen moeten hun ouders eren, wat zelfs tot verzoening van zonden kan leiden (v. 3). De tekst is wel in zijn historische context te plaatsen, waarin niet alleen de ondergeschiktheid van kinderen aan hun ouders een rol speelt, maar ook, zoals met name de verzen 12-14 laten zien, de afhankelijkheid van ouders, met name als ze ouder, zwakker en geestelijk beperkter worden, van hun kinderen. De kern van de lezing lijkt daarom, ook in de weggelaten verzen 1-11, eerder de wederzijdse afhankelijkheid te zijn in verschillende levensfases en een ethos van gemeenschap onder mensen die op elkaar zijn aangewezen dan een ethos van onderwerping. In ieder geval lijkt een omgang met elkaar die het welzijn van allen op het oog heeft het uiteindelijke doel van deze passage en het zou de moeite waard zijn om er vanuit dat perspectief over te preken.
Psalm 128
Psalm 128 resoneert met andere lezingen van deze feestdag op een aantal punten, bijvoorbeeld als het gaat om het benadrukken van het gezin, zij het dat dit in deze psalm wel op een specifieke manier wordt ingekaderd: ontzag voor de Heer is de oorsprong van wat verder een tamelijk typisch beeld voor voorspoed (voor een man – zie v. 4) is: genoeg te eten, een vruchtbare vrouw, kinderen en kleinkinderen. De basis van dit alles blijft echter het gaan van de weg die de Heer wijst (v. 1) en niet iets anders. Dit ondermijnt, aan de ene kant, een al te autonome opvatting over mannelijke zelfontplooiing en succes, aan de andere kant biedt het ook een criterium voor het beoordelen van rijkdom en voorspoed: is dit wel echt te zien als het gevolg van Gods zegen vanwege het volgens van de weg van de Heer, of is het iets anders? Natuurlijk roept de tekst ook een andere vraag op: als iemand wel de weg van de Heer gaat maar geen voorspoed kent, wat is er dan aan de hand? Deze vraag zal het Godsvolk blijven begeleiden en zelfs in Jezus’ leven een belangrijke rol spelen daar Hij bij uitstek de weg van God volgt (en zelfs is) maar toch de dood vindt – de Verrijzenis is dan volgens het nieuwtestamentisch getuigenis Gods antwoord op deze gang van zaken, voor Jezus en voor anderen die eenzelfde lot treft.
Kolossenzen 3,12-21
Op het feest van de Heilige Familie ligt het voor de hand om als het om Kolossenzen 3,12-21 gaat, het eerste deel van de tekst met het tweede deel in gesprek te brengen. Het eerste deel is namelijk sterk gericht op een ethos van gemeenschap en gelijkwaardigheid, terwijl het tweede deel een sterk hiërarchisch beeld van het ideale gezinsleven schetst dat makkelijk giftige trekken aan kan nemen, met name omdat het de hiërarchische verhoudingen zelfs theologisch fundeert. Dit laatste mag één stem in het nieuwtestamentisch getuigenis zijn, het is zeker niet de enige en om theologische redenen ook absoluut niet de meest normatieve, zelfs wanneer het feest van de Heilige Familie historisch gezien wel degelijk te maken heeft met het bevorderen van een ‘traditioneel’ en zeker ook patriarchaal gezinsleven. Waar de tekst enerzijds tot wederzijdse liefde oproept (‘kleed u in de liefde…’; ‘leden van één lichaam’, etc.), staat hij anderzijds vanaf v. 18 in het teken van gehoorzaamheid, zij het dat v. 25 wel wijst op het oordeel dat iedereen, dus ook een pater familias, te wachten staat als hij onrecht doet, wat natuurlijk mensen ook meer op een gelijk niveau zet. Dat laatste hoort veel meer bij de kern van het Nieuwe Testament dan een op sociale hiërarchie gebaseerde gehoorzaamheid. De deconstructie en ontmaskering hiervan zou juist op het feest van de Heilige Familie niet misstaan in de verkondiging.
Zie: H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46.
Matteüs 2,13-15.19-23
De Evangelielezing van dit feest komt uit het Matteüsevangelie en kent een merkwaardige structuur: de verzen 16-18 worden weggelaten (en horen bij het feest van ‘Onnozele Kinderen’) waardoor de dramatiek van het verhaal in hoge mate instort: het is nu alsof de ‘heilige familie’ alleen vanwege een voornemen van Herodes om Jezus om te brengen naar Egypte is uitgeweken terwijl de slachtpartij in Betlehem als achtergrond verdwijnt. Dat laatste doet ook onherroepelijk denken aan kinderslachtoffers in de 21ste eeuw, zoals in de genocide die actueel in Gaza plaatsvindt door het doelgerichte geweld tegen de burgerbevolking door het leger van de staat Israël. In ieder geval is duidelijk dat het kindje Jezus met zijn ouders een speelbal is van de machthebbers in Palestina, net zoals inwoners van dat gebied dat vandaag zijn. Het is de aanbeveling waard om de weggelaten verzen 16-18 in de liturgie weer in ere te herstellen, juist vanwege de actualiteit ervan.
Naast de zojuist gemaakte parallel met het heden is er nog een aantal andere aspecten in het verhaal die de aandacht verdienen. Zo is de communicatie via dromen opvallend: Jozef krijgt in een droom bezoek van een engel die hem waarschuwt om naar Egypte te vertrekken en hetzelfde gebeurt om hem te vertellen dat de kust weer veilig is. Ook het uitwijken naar Egypte als zodanig en het terugkeren naar niet Betlehem maar naar Nazaret vallen op. De historiciteit van dit hele verhaal is van ondergeschikt aan zijn theologisch belang. Via de geografische verschuivingen en de manier waarop die gecommuniceerd worden raken Jezus en Jozef nauw verweven met een eerdere dromende Jozef, de zoon van Jakob, in het boek Genesis. De gang naar en uit Egypte vormt een echo van de gang van het volk Israël naar Egypte via dezelfde dromende Jozef en de terugkeer uit Egypte onder Mozes’ leiderschap (zie het boek Exodus en verder). Ook het profetencitaat hangt daarmee samen: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’ Gods zoon kan in de Bijbel zowel een persoon als ook het volk als geheel zijn, beiden lijken hier samen te vallen in Jezus: Hij is de belichaming van Gods volk. Daar Jezus in schril contrast staat tot Herodes, of in ieder geval Herodes tot Hem, betekent dit natuurlijk ook dat het eigenlijke Israël door Jezus belichaamd wordt en niet door (de juridisch verder legitieme) Joodse leiders zoals Herodes.
Dat de ‘heilige familie’ vervolgens om politieke redenen in Nazaret terechtkomt, verbindt de theologische herkomst van dit gezin uit Betlehem (als stad van David) vervolgens met de vermoedelijk historische herkomst ervan uit Nazaret. Hierbij past wel nog de aantekening dat de term ‘heilige familie’ niet bijbels is. Andere teksten, ook uit het Evangelie volgens Matteüs laten zien dat in Jezus’ leven het ‘kerngezin’ uit Nazaret helemaal niet centraal staat. In Matteüs 12,46-50, bijvoorbeeld, wordt Jezus met zijn moeder en broers (of broers en zussen) geconfronteerd die Hem, vermoedelijk, tot de orde willen roepen. Hij definieert daarop echter opnieuw wie zijn moeder en broers (of broers en zussen) zijn, namelijk iedereen die de wil van zijn hemelse vader doet. De eigenlijke familia Dei of heilige familie is daarmee de geloofsgemeenschap is, niet het kerngezin.
Integraal gelezen is Matteüs 2,13-23 dus een gelaagde tekst met een hoge mate van actuele politieke betekenis. Hij nodigt uit om het onrecht aan te klagen dat juist nu door politieke leiders in de Joodse staat Israël begaan wordt tegen onschuldige burgers zoals Jezus, in wie God, blijkbaar eerder zijn toekomst ziet dan in het spierballengedrag van militair machtsmisbruik.
door: prof. dr. Peter-Ben Smit
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06
