Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

28-06-2026

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

Ik hoop dat u nog bereid bent te luisteren… Want dit soort uitspraken van Jezus zoals aan het begin van het evangelie van vandaag zijn woorden waarbij mensen afhaken en de boel voor gezien houden. Wat Jezus hier zegt over de omgang met je familie en over je bestaan gaat te ver. Een reactie die ik herhaaldelijk gehoord heb op deze lezing… En ik begrijp daar ook wel iets van… deze vlijmscherpe woorden… zo ken je Jezus niet… Als ik kijk naar het hele evangelie hoe Jezus daarin naar voren komt, wat Hij zegt en wat Hij doet, dan is dit héél anders. Dan zijn het onbegrijpelijke woorden. Ze staan ook wel in een heel specifieke context. Deze passage is het besluit van wat in het Matteüsevangelie de ‘zendingsrede’ heet.

We kennen in het evangelie de veel beroemdere ‘Bergrede’ – de lange toespraak die Jezus houdt voor iedereen die op Hem af is gekomen. Hij legt daarin uit wat leven met God voor een mens inhoudt – en dat draait om liefde krijgen van de Vader die er altijd zal zijn voor ons en die liefde aan mensen door willen geven. En Jezus nodigt ieder uit daar in te stappen; zich eraan over te geven en in die Geest te leven en te handelen.

De zendingsrede ligt in het verlengde van de boodschap van de Bergrede.
In de zendingsrede geeft Jezus zijn leerlingen die Hij erop uitstuurt om de boodschap van Gods koninkrijk van liefde te gaan brengen in alle dorpen en steden, adviezen hoe op weg te gaan, hoe te handelen. Hij draagt ze op niets mee te nemen en letterlijk met lege handen op weg te gaan en overal binnen te komen met de groet ‘Vrede aan dit huis.’ Hij raadt ze aan bescheiden te zijn en niets te verwachten. Hij waarschuwt ze dat Hij hen ‘als lammeren onder wolven’ zendt en dat ze op weerstand moeten rekenen. Want de liefdevolle boodschap die Jezus voor iedereen heeft staat wel haaks op wat voor de wereld gewoon, gebruikelijk en vanzelfsprekend is en zoals dat in onze dagen weer opnieuw zo onverkort klinkt en schaamteloos gedaan wordt: ik eerst, ik eerst, ik eerst.

En dan – om de urgentie daverend te onderstrepen en de leerlingen goed te doordringen van alle gevaren, komen de woorden die zo zwaar vallen: om te beginnen zullen ze zichzelf totaal over moeten geven, over moeten leveren. Het zijn scherpe woorden. Woorden die je aanvankelijk helemaal niet wilt horen: ‘wie meer van vader of moeder of zoon of dochter houdt dan van Mij, is Mij niet waard’ en ‘Je leven verliezen omwille van Mij om het te behouden.’ Het is Jezus in zijn radicale stand van aanspreken en wakker schudden. Dit is een Jezus die tegen kan staan omdat Hij zo anders is als wat we als kern van zijn boodschap kennen: heb God lief en je naaste als jezelf. Toch moeten we accepteren dat deze harde woorden ook klinken uit Jezus mond en dat ze gesproken zijn uit zorg voor ons leven in Gods ruimte. Want in de gang van ons leven kunnen wij mensen, al van kleins af, beheerst raken door gewoontes en plichten die van ouder op kind worden doorgegeven en opgelegd – en dat kan vormen aannemen die mensen knechten en verslaven en afbrengen van de oorsprong en de vrijheid waar God iedere mens voor geschapen heeft en toe roept. Het gaat hier over de zonde waar Paulus in de tweede lezing uit de Romeinenbrief over spreekt. Paulus legt de gelovigen in Rome nog eens uit dat zij door de doop bij Jezus de Christus zijn gaan horen en met Hem mee de gang door dood en het doodse hebben gemaakt. Zij hebben de doorgang gemaakt naar een leven met God, zij mogen meebouwen aan zijn rijk .

Dat is de missie en de kern waar Jezus voor gaat en voor staat. Hij brengt het leven dat God geeft terug in contact met God – en daar mag en moet alles voor wijken – radicaal. En dat geldt zeker ook voor wie zijn boodschappers zijn.

En dan is er nog een tweede waarschuwing – en dat zijn de woorden waarmee Jezus de leerlingen op het hart bindt om mild te zijn voor de mensen die ze tegen zullen komen. Ze mogen de verwachtingen die ze hebben van die mensen en hun acceptatie van de boodschap niet te hoog opschroeven. We zijn immers niet allemaal zo – en zo welgesteld – als de vrouw over wie we in de eerste lezing hoorden, die een kamer bij liet bouwen voor de profeet Elisa omdat ze in hem een boodschapper van de Liefde(volle) herkende. De leerlingen van Jezus moeten zich realiseren dat overal waar ze ontvangen worden en waar ze de ‘normale gastvrijheid’ zullen ontmoeten – want daar gaat het over bij die beker koel water – de mensen al doen wat er van ze gevraagd wordt. Daar is al het begin van het koninkrijk van God. We mogen erin horen dat we de lat vooral niet te hoog moeten leggen – want dat rijk van God is misschien wel meer ‘onder ons’ dan we soms geneigd zijn te denken. En ook dat we misschien wel meer kunnen dan we geneigd zijn te denken

Schrik en bemoediging, zo schudt Jezus ons wakker voor zijn werk dat mede in onze handen ligt. En ieder mogen we het op onze manier aanpakken, groot of klein, dicht bij huis of op wereldschaal en iedere bijdrage wordt gezien en gewaardeerd. We mogen ervan uit gaan dat dat op een passende, maar misschien voor ons verrassende en onverwachte, manier zal gebeuren.

door: Gerard Martens
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.43.0
Volg ons