Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

28-06-2026

EXEGESE

‘Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is…’ – woorden van Jezus uit het evangelie die je voor vandaag heel goed kunt verstaan tegen de achtergrond van het eerder gelezen verhaal over het gastvrije onthaal van de profeet Elisa door de Sunammitische. Een profeet (m/v) is een gezondene die niet voor of namens zichzelf spreekt maar die het woord voert namens Hem door wie hij gezonden werd. Een profeet is iemand die vanuit het verleden het heden interpreteert met het oog op de toekomst. Het gaat dus om het duiden van een actuele situatie. Iemand opnemen die daartoe geroepen werd, is niets minder dan een blijk van openheid en ontvankelijkheid voor de boodschap die gebracht wordt. Als zodanig is de gezondene ook te waarderen.

‘De arbeider is zijn loon waard’ – het zijn andere woorden van Jezus maar ditmaal uit het Lucasevangelie (10,7), woorden die echter op hetzelfde neerkomen. Bij Matteüs is eveneens sprake van het loon van een profeet (10.41), dat wil zeggen: de waardering voor zo iemand mag er dan ook naar zijn. Het aanreiken van een beker koud water kan in dat verband al betekenisvol zijn (10,42).

2 Koningen 4,8-11.14-16a – moment van herkenning
De profeet Elisa geniet herhaaldelijk gastvrijheid bij een welgestelde vrouw uit de plaats Sunem. Het gaat zelfs zover dat er op instigatie van de vrouw een apart vertrek voor de profeet gerealiseerd wordt. Zij komt op die gedachte omdat zij in de profeet ‘een heilige man Gods’ (4,9b) herkent. Daarmee geeft deze vrouw blijk van het besef dat zij hier met een gezondene te maken heeft, een man met een zending van Godswege. Haar openheid en ontvankelijkheid blijven niet onbeantwoord want de vrouw ontvangt van de profeet een belofte voor de toekomst: zij zal een zoon ter wereld brengen. De onbaatzuchtige houding van de vrouw blijkt voor de tweede maal uit haar reactie op deze aankondiging (vgl. v. 13b met v. 16b). Overigens valt het met het oog hierop serieus te overwegen om dit bondige verhaal toch maar integraal te lezen, dus inclusief de weggelaten verzen 12-13 en de afsluitende verzen 16b-17 waarin het uitkomen van de belofte door Elisa verhaald wordt. Op die manier krijgt het verhaal immers meer reliëf in combinatie met de evangelielezing…

Romeinen 6,3-4.8.11 – doop en opstanding
In het vijfde hoofdstuk van zijn Romeinenbrief schrijft Paulus uitvoerig over de relatie tussen zonde, genade, rechtvaardiging en vrijspraak. Meerdere keren verwijst de apostel daarbij naar de eerste mens Adam waardoor de zonde en de dood in de wereld zijn gekomen en als gevolg waarvan alle mensen daarna veroordeeld werden (5,12.15vv.18v). In dit volgende hoofdstuk wordt de redenering voortgezet in de stijl van een diatribe, een socratisch retorisch stijlmiddel dat bestaat uit vragen en antwoorden dat in de Oudheid veel gebruikt werd door filosofen en redenaars. Daarbij is het Paulus vooral te doen om de gedachte te bestrijden dat de zonde noodzakelijk of onmisbaar zou zijn voor het verkrijgen van de genade (sterke ontkenning in 6,2). Om deze visie kracht bij te zetten interpreteert Paulus de doop nu als een vorm van sterven en opstanding. Zoals Christus uit de dood is opgestaan na de dood aan het kruis, zo is de gelovige uit de dood door de zonde opgestaan tot een nieuw leven.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86.

Matteüs 10,37-42 – Zendingsrede
Na de Bergrede (Mat. 5-7) vormt de Zendingsrede (Mat. 10,5–42) de tweede toespraak van Jezus in dit evangelie, gericht tot de twaalf apostelen die kort daarvoor aangesteld zijn (in 10,2 worden de leerlingen ook zo genoemd: ‘uitgezondenen’). De tekst als geheel is geladen met een sterk besef van grote verantwoordelijkheid, ingegeven door pastorale bewogenheid van de Heer (9,36-38). De apostelen zijn geroepen om mede uitvoering te geven aan het initiële programma van Jezus zelf: ‘Het koninkrijk der hemelen is nabij!’ (10,7 moet dus in verband gebracht worden met 4,17). De apostelen zijn niets minder dan medewerkers van de Heer.

We beluisteren nu de slotpassage van deze redevoering. De afbakening van de tekst is vatbaar voor enige discussie: waarom niet gelezen vanaf vers 34? Daar wordt immers gesteld dat het volgen van Jezus niet vrijblijvend kan zijn maar zelfs scheiding teweeg kan brengen tussen mensen die door bloedverwantschap nauw met elkaar verbonden zijn. Dit is in feite ook het thema in het beginvers van de lezing.

Een ander perspectief
De keuze om Jezus te volgen, en dus om zich als apostel te engageren met zijn programma, impliceert een relativering van natuurlijke familieverhoudingen. Bij Matteüs zijn de uitspraken van Jezus hierover minder scherp dan met name bij Lucas. Daar staat het woord miseô in 14,26 – enigszins verbloemd weergegeven met ‘verfoeien’ in de Willibrordvertaling, maar ook vaak niet onterecht vertaald met ‘haten’. Bij Lucas is dit niet de enige plaats waar de verhoudingen op scherp gezet worden, zie met name ook 9,61v. In onze lezing staat daarentegen slechts: ‘Wie meer houdt van vader of moeder dan van Mij…’ (philôn … huper eme) en dat komt toch iets anders bij ons over… Niettemin is de strekking van de gedachte min of meer identiek: de bereidheid om de consequenties van de navolging te aanvaarden, ook als deze op gespannen voet komen te staan met de familieverhoudingen. Gesteld voor de keuze zal de gezondene van de Heer trefzeker moeten kiezen tussen het engagement met een bloedverwant (vader of moeder, zoon of dochter) óf met een geestverwant: eerst met de Heer zelf maar in feite gaat het Jezus om ‘Hem die Mij gezonden heeft’ (10,40b). Iets verderop in 12,46-50 spreekt Jezus er zich ondubbelzinnig over uit: ‘Want wie de wil doet van mijn Vader in de hemel, die is mijn broer en zuster en moeder’. Daaruit blijkt dat Jezus in feite doelt op een ander perspectief dan de biologische banden van vlees en bloed: zijn volgelingen kan men wel beschouwen als kinderen van één Vader.

In verlegenheid?
Soms strijken de woorden uit de Bijbel je tegen de haren in. Misschien is dat met dit evangeliegedeelte ook wel het geval. Want een keuze (moeten) maken tussen het liefhebben van vader of moeder of het liefhebben van de Heer heeft zo ogenschijnlijk de trekken van een heus dilemma. Maar hoe zit het dan met het gebod om vader en moeder te eren, een goddelijke opdracht die we zó toch ook terugvinden in dit Matteüsevangelie (15,4-7)? Kan het er voor een volgeling van de Heer werkelijk zó om spannen? Er zijn echter wel meer van zulke krasse uitspraken van Jezus te vinden in het evangelie, uitspraken die je misschien wel in verlegenheid kunnen brengen. ‘Als je hand of je voet je ten valt brengt, hak hem dan af en gooi hem weg’ (Mat. 18,8), om slechts één ander voorbeeld te noemen. De vraag komt bij je op: Hoe moeten we dit nu eigenlijk begrijpen? Vraagt de Heer dit werkelijk van ons, tot aan zelfverminking toe?

Misschien komen we er iets verder mee als we deze uitspraken zien – modern uitgedrukt – als een sterk staaltje van communicatietechniek. Jezus ‘chargeert’ zogezegd, Hij zet de zaken op scherp om duidelijk te maken waar het Hem feitelijk om te doen is. Jezus was onmiskenbaar goed in het communiceren met mensen, Hij had duidelijk het talent om bijvoorbeeld met gelijkenissen en onverwachte uitspraken (iemand de andere wang toekeren na een slag op het gezicht) zijn gehoor aan het denken te zetten. Het doen van zulke krasse uitspraken heeft misschien wel dezelfde bedoeling. Zoals ook in het Marcusevangelie de herhaalde opdracht aan het adres van de leerlingen om te zwijgen over de ware identiteit van Jezus (zie bijv. 9,9). De nuance draagt niet veel bij aan de receptie van een belangrijke boodschap. Het zet ons daarmee misschien wel aan het denken, het schudt ons wakker én het roept ons weg uit een al te gezapig leventje…

door: drs. Harry Tacken
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.43.0
Volg ons