Preekvoorbeeld
Wie vandaag, in de ban van het kerstverhaal, verwacht de geschiedenis van Jezus’ geboorte te horen, kijkt wellicht vreemd op bij het Evangelieverhaal. Johannes, de schrijver ervan, geeft ons een filosofische uiteenzetting over het begin van de schepping. Over de geboorte van ‘het Woord’, dat Jezus is. Hij staat zo dícht bij God, dat waar Hij spreekt, God zélf aan het Woord is! Bij Jezus vallen grenzen van tijd en ruimte wég. Natuurlijk, het kerstverhaal is ontroerend, maar Johannes verkent onze wordingsgeschiedenis op een dieper niveau en wil ons wakker maken: Jezus is van unieke en beslissende betekenis, omdat Hij vanaf het begin bij God is, ja, God zélf is. Door zijn Woord riep God de schepping, dus ook ons, tot bestaan. Hij is het licht in onze duisternis, maar velen in het donker wijzen het licht áf. Johannes besluit: Niemand heeft ooit God gezien, maar zijn enig geboren Zoon Jezus heeft ons God doen kénnen. In de woorden van tekstdichter Christiaan Verwoerd: Jezus kwam als mens op aarde, Bracht het licht van God dichtbij, Wat Hij sprak had zoveel waarde, En Hij leefde wat Hij zei.
Kortom, een woord dat redding brengt!
Hoe ouder de mens, hoe zwaarder de last van het leven waaronder wij gebukt kunnen gaan. Toch horen wij in de eerste lezing Jesaja spreken over de vreugdebode van de Heer, die over bergen van verdriet het volk van de Heer terugvoert naar Sion, Jeruzalem. Daar vindt het vrede en bevrijding; God redt! De Heer toont zijn ‘heilige arm’: Voor de ogen van de wereld zendt God zijn heil naar alle mensen van goede wil. Zelfs de verste hoeken der aarde hebben het geluk gezien dat komt van onze God. En wij, die soms zo op afstand van God ons bewegen, willen wij het licht zien, of sluiten wij daar (soms) onze ogen voor?
De liturgie jubelt vandaag van vreugde. Zo pakt psalm 98 uit met een nieuw lied, ‘want wonderen heeft de Heer gedaan.’ Ook hier brengt Gods heilige arm de overwinning. Het geluk dat de Heer biedt, is gekleed in gerechtigheid. Dit is een wezenlijke trek van God.
Toch weten wij, sinds Jezus ons voorleefde wie God is, óók dat Gods gerechtigheid gedragen wordt door zijn liefde. God is geen ‘boekhouder’, wél een liefdevolle Vader.
Er is redding, ook voor óns. Laat dus de ‘rivieren in de handen klappen en alle bergen ruisen van blijdschap’, want hemelse gerechtigheid in het kleed van de liefde valt ons ten deel.
Paulus bevestigt in de tweede lezing dat God nu, aan het einde van de tijd, tot ons gesproken heeft door de Zoon. Jezus – het woord van God – is voor ons geboren, en nu komt het er voor ons op aan. Hij omschrijft Jezus als de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen. Ja, Jezus hoort helemaal bij God, maar is ook mens met óns! Hij herstelt de verstoorde band tussen God en mens. Daarmee spoelt hij als een machtige rivier onze zonden weg. Wat is ons antwoord?
Kijken wij tot slot naar Betlehem, naar het kind in de kribbe. Daar ligt Gods zoon, kwetsbaar en fragiel, te midden van de vele gevaren van het leven. Het is uitgerekend dít kind, zegt Johannes dat ons het vermogen geeft kinderen van God te worden. Ja, er staat: te ‘worden’. Dit wijst op een ‘groei’ die verder gaat dan de eerste negen maanden van ons leven. Wij mogen groeien in geloof en opnieuw geboren worden, als mensen over wie Gods woord is uitgesproken, Gods woord dat leven geeft. Zalig Kerstfeest!
door: drs. Frank van der Knaap MA
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06
