Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

25-12-2025

EXEGESE

‘Heden verkondig ik u een blijde boodschap.’ Dit wordt in het Lucasevangelie aan de herders verkondigd. Dit is ook de blijde boodschap in de lezingen van de dagmis, hoewel de melodie anders klinkt.

Jesaja 52,7-10
De eerste lezing is uit DeuteroJesaja (Jes. 40–55), de profeet van hoop en troost voor de ballingen in Babylon. De leiders van het volk hebben zich niets gelegen laten liggen aan de noden van het volk dat nu gebukt gaat onder dwang en onvrijheid, ver van het vaderland, vol twijfel of God zijn volk nog voor ogen heeft. De profeet die samen met zijn volk in ballingschap leeft verkondigt dat God zijn volk juist niet verlaten heeft en dat de weg naar de vrijheid open ligt.

De perikoop spreekt van Jeruzalem dat in puin ligt maar weer hersteld zal worden omdat de Heer zijn volk ter harte neemt (v. 9). De ballingschap loopt op zijn eind en God zelf zal regeren in Sion. (v. 7) zoals in de tijd vóór er koningen waren.
De profeet voorziet vrede (sjalom = welzijn) en heil voor Sion zoals de wachters zien hoe in de verte de boden aan komen snellen met een blijde boodschap. Op de puinhopen van de heilige stad barsten allen in vreugde uit: de ballingen komen terug en Jeruzalem zal weer een koning hebben, God zelf.
Het is alsof er een nieuwe Exodus plaats heeft: God ontbloot zijn arm, stroopt zijn mouwen op (v. 10) zoals in de exodusverhalen. En heel de wereld zal getuige zijn van die redding.

Hebreeën 1,1-6
De auteur van dit bijbeldocument is onbekend, mogelijk iemand uit de tachtiger jaren van de eerste eeuw. Hebreeën is niet echt een brief, eerder een verhandeling om aan te tonen dat Christus de eeuwige hogepriester is die zichzelf geofferd heeft voor de zonden van het volk. Een latere christen uit de school van Paulus heeft het geschrift aan de brieven van Paulus toegevoegd.

De auteur is zich bijzonder bewust van de wijze waarop de christelijke gemeente met de joodse traditie verbonden is. Volgens hem kan Christus worden vergeleken met het geheel van de israëlitische godsdienst, om vervolgens aan te tonen dat Jezus daar boven uitsteekt, zozeer zelfs dat Hij boven de engelen staat.

In de verzen 1-4 stelt de auteur Jezus Christus voor als centrum en hoogtepunt van de geschiedenis. Hij vat heel de vroegere verkondiging en openbaring uit het Eerste Testament samen in het perspectief van de profeten, waardoor de aandacht gericht wordt op het profetisch karakter van Jezus. Hij maakt echter geen vermelding van de Wet als openbaringsbron, aangezien een van de grote thema’s van de Hebreeënbrief juist is dat de Wet heeft afgedaan.

Daar tegenover presenteert hij de Zoon als de hoogste vorm van Gods communicatie met de mensen. Dat laat hij zien door de vermelding van Jezus als erfgenaam van alles wat bestaat (v. 2), door de menswording van de wijsheid waardoor God alles geschapen heeft (v. 2 – vgl. evangelie 1,1-3), door te wijzen op Gods woord dat alles in stand houdt (v. 3), door de bewerking van de vergeving van de zonden (v.3) en door het feit dat de verheerlijkte Heer hoger staat dan de engelen (vv. 3-4). Om dit laatste aan te tonen baseert de auteur zich op oudtestamentische teksten en ideeën als verwijzing naar de relatie tussen God en Jezus als een relatie tussen Vader en Zoon.

Johannes 1,1-16
Een spontane aandacht voor vers 14: ‘Het Woord is Vlees geworden en heeft onder ons gewoond’, brengt de lezer gemakkelijk bij een traditionele uitleg van deze perikoop. Dat Woord is natuurlijk Jezus, de mens geworden Zoon van de Vader. We zouden dan hier te maken hebben met een johanneïsche aankondiging van de geboorte van Jezus, hoewel op een andere manier dan Matteüs of Lucas. De diverse tekstelementen maken het geheel echter wel ingewikkelder aangezien verschillende van die elementen hier met elkaar verstrengeld zijn.

Sommigen zien deze tekst als een oude hymne vol elementen uit de Joodse traditie. Anderen uiten bezwaren tegen deze theorie. Eén ding lijkt zeker: de tekst moet gelezen worden tegen de achtergrond van de Tora.

De perikoop vangt aan met ‘In het begin…’ (en archè). Dat is in de Septuagint de vertaling van het eerste woord van de Tora, beresjiet (Gen 1,1). Zo worden we meteen op het spoor van een oude bijbelse traditie gezet. Daarom ook is het van belang om duidelijkheid te krijgen met betrekking tot de uitdrukking ‘Woord’ (logos) tegen de achtergrond van het Hebreeuwse dabar, en om niet vanwege de term logos meteen op een Grieks-filosofische toer te gaan. Het artikel over de logos in het Nieuwe Testament met Joodse Toelichtingen heeft niet voor niets als titel ‘Logos, een Joods Woord.’ Het bijbelse logos of dabar is het scheppende woord of de scheppende daad van God, ook al gebruikt de Hebreeuwse Bijbel vaak de uitdrukking memra als aanduiding van ‘Woord.’ Met betrekking tot dat woord is het niet voor niets dat in de Joodse traditie God ook Ha-Qol (de Stem, d.i. de Sprekende) wordt genoemd. En aangezien de dabar van Ha-Qol ook een handeling is, is het duidelijk dat Gods woord zichtbaar is. Daarom kan Exodus 20,18 dan ook zeggen dat heel het volk Gods stem ‘zag’ en niet slechts hoorde.

Vers 1 geeft een mededeling die dubbelzinnig kan lijken: kai Theos èn ho Logos (en God was het Woord), terwijl in de Nederlandse vertaling staat ‘en het Woord was God’. De idee van ‘God als het Woord’ komt dichtbij een andere uitdrukking van de johanneïsche auteur ‘God is liefde’ (1 Joh. 4,8). De aandacht richt zich zo meer direct op God, en eventueel pas daarna op de Logos, Jezus Christus.

Het gebruik en de betekenis van de term ‘Logos’ in deze perikoop moet gezien worden tegen de achtergrond van het Eerste Testament waar de hokmah (wijsheid Gods) als een soort persoon optreedt en spreekt (vgl. Spr. 8,23-32; Sir. 24,3.9). De wijsheid identificeert zich daar met het goddelijk woord in de Tora. Volgens een oude Joodse overlevering ging God, toen Hij de schepping wilde aanvangen, te rade bij de Tora, en in overeenstemming met de Tora schiep Hij de wereld, want alle woorden en alle handelingen van heel de wereld zijn, volgens de mystieke teksten van de Zohar, te vinden in de Tora.

De eerste vijf verzen van de perikoop doen sterk denken aan Genesis hoofdstuk 1 waar God het licht doet ontstaan door zijn woord. Door het scheiden van licht en duisternis maakt God het onmogelijk dat de duisternis het licht in haar macht te krijgt. Dat zegt ook Johannes 1,5.

Aangezien de schepping van het licht nog geen geschiedenis was, omdat geschiedenis pas bestaat als er mensen zijn, komt de geschiedenisdimensie ook hier pas naar voren bij de opkomst van een mens, Johannes de Doper (v. 6).

In vers 11 lezen we een enigszins enigmatische verklaring: ‘Hij kwam in de zijnen (eis ta idia = onzijdig meervoud), maar de zijnen (hoi idioi = mannelijk meervoud) hebben Hem niet ontvangen’. De verschillende vertalingen komen vaak sterk met elkaar overeen, ofschoon er ook enkele enigszins verschillend zijn. In een hebreeuwse vertaling van het evangelie komt Hij ‘naar zijn volk’ (el amoe) en ‘zijn volk’ (veamoe) nam Hem niet aan. De Bible de Jérusalem en de vertaling van André Chouraqui geven: ‘Hij kwam chez lui wat in het Nederlands ‘thuis’ kan betekenen. De zijnen doen zo denken aan de huisgenoten. In dezelfde richting gaat een Italiaanse vertaling die schrijft ‘in zijn huis’, zodat het bij ‘de zijnen’ om huisgenoten gaat.

Met deze verscheidenheid wordt het misschien niet echt duidelijker wie degenen zijn die het Woord niet hebben aangenomen Een beperkte interpretatie kan ons nogal snel bij het Joodse volk brengen. Zo staat het ook in bovengenoemde Hebreeuwse vertaling. Als we het zijne echter interpreteren als ‘de wereld’ (kosmos) dan zijn degenen die het niet hebben aangenomen de hele mensheid zoals gesuggereerd wordt in de Traduction Oecumenique de la Bible.

De volgende verzen spreken van hen die de Logos wel hebben aangenomen, en die Godskinderen geworden zijn, niet uit bloed, niet uit begeerte van het vlees of uit de wil van een man. En zoals Jezus’ geboorte bij Matteüs en Lucas getekend wordt zonder tussenkomst van een menselijke vader, zo worden ook degenen die het Woord aangenomen hebben Gods kinderen, Joden zowel als gojim, de volken.

Het beroemde vers: ‘Het Woord is Vlees geworden en heeft in ons midden gewoond…’ klinkt in het Hebreeuws enigszins als een rijm: De dabar is basar geworden. Het wonen onder ons van het Woord lijkt een verwijzing naar Exodus waar God zijn intrek neemt in de tent van de samenkomst, het verplaatsbare heiligdom in de woestijn (Ex. 40,34). Het Woord als de ‘enige of eniggeboren’ (monogenes) Zoon (lxx-vertaling van het Hebreeuwse jahid, de ‘veelgeliefde’), tekent Jezus op de wijze zoals jhwh tot Abraham sprak over Isaak (Gen. 22,2).

De perikoop is niet een ‘Kerstevangelie’ zoals we dat bij Matteüs en Lucas tegen komen. Voor alles lijkt het een aankondiging van hetgeen de evangelist later Jezus in de mond legt: ‘Ik en de Vader zijn één’ (10,30) en ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de vader gezien’ (14,9).

door: Gerard van Buul OFM

bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.45.0
Volg ons