Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

22-3-2026

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

Jezus had een goede vriend: Lazarus. Hij woonde in Betanië samen met zijn twee zussen, Marta en Maria. Met hen zal Jezus heel wat successen hebben gedeeld en ook veel teleurstellingen.
Dan wordt Lazarus ziek. Hij gaat snel achteruit. De zusjes laten het aan Jezus weten. Maar wie verwacht dat Jezus nu spoorslags naar zijn vriend vertrekt, komt bedrogen uit. Jezus doet even helemaal niets. Op het eerste gehoor lijkt Hij een soort cliché te gebruiken: ‘De ziekte is niet dodelijk.’ Klinkt als: ‘Komt wel goed!’
Eerder had een volkswoede Jezus met steniging bedreigd; hield dat Hem nu tegen? Zou die woede dan na twee dagen alweer over zijn? Vervolgens merkt Jezus op dat je ’s nachts kunt struikelen. Waar slaat dat op? Hebben we iets gemist? Een zinnetje in het verhaal misschien? Had iemand voorgesteld om ’s nachts te reizen en stiekem Betanië te naderen? Je kunt het gevaar maar beter onder ogen zien, wil Hij misschien zeggen. Of is ‘wandelen overdag’ een zinnebeeld van gaan in ‘licht en leven’ en het tegendeel van ‘leven in nachtelijk donker en dood’?

Enfin, met enige vertraging gaat Jezus op bezoek. En ja, Hij komt veel te laat. Zijn beste vriend is al een paar dagen geleden begraven, en de zusjes kijken Hem verwijtend aan.
Het uitgestelde ziekenbezoek functioneert als een versterking van Jezus’ heilzame nabijheid. Een dode laten delen in het leven is spectaculairder dan een zieke!
De evangelist Johannes behandelt in verhaalvorm zijn theologische visie op leven en dood. Hij bereidt de lezer voor op de dood van Jezus, die aanstaande is. Maar het uitgestelde ziekenbezoek van Jezus zal menig lezer ook om een heel andere reden aanspreken. Mij tenminste wel!

Jaren geleden lag mijn zus op sterven. Ik vroeg haar eens of ze nog iets gehoord had van haar collega’s. ‘Ja, van sommige wel, en van andere niet,’ zei ze. ‘Sommigen zijn bang om langs te komen,’ legde ze uit. ‘Ik hoor dat al aan hun stem. Ze bellen op om te vragen hoe het gaat. Door de telefoon zeg je al gauw dat het goed gaat. Vervolgens verzekeren ze je dat ze spoedig langs zullen komen. ‘Volgende week komen we,’ citeerde mijn zus een beetje schamper. ‘En zeggen ze daar snel achteraan: eind volgende week, dán komen we!’ Berustend besloot ze: ‘Degenen die eind volgende week komen, die komen nooit.’
Wie een ernstig zieke opzoekt, moet vaak een hoge drempel over. Dat is herkenbaar, al vermoed ik dat Jezus’ omgang met zieken alle drempels wel zal hebben gesloopt!

Maar er is nog iets anders dat me als gelovige heel erg aanspreekt. In alle tijden hebben gelovige mensen bij grote rampen het gevoel gehad dat de lieve God enigszins onverschillig was voor hun lot. Er overkomt ons iets verschrikkelijks en God is nergens. Lazarus gaat dood, de zusjes zijn wanhopig, en Jezus komt niet. De wereld vergaat, steden worden gebombardeerd, onschuldige kinderen worden doodgereden, en God zwijgt.

Als gelovige voel ik mij op de vingers getikt. De teleurstelling over Gods schijnbare ongeïnteresseerdheid is immers een gevolg van mijn eigen verwachtingen. Ik heb God namelijk een bepaalde plek gegeven in mijn leven: de plek van een soort levensverzekering. God moest me een veilig gevoel geven. Hij moest de angst verdringen dat ik in de kille duisternis leef van een zinloos toeval. Hij moest Degene zijn die me gewild heeft, die van me houdt, die de zin uitmaakt van mijn leven.
Ik ben Hem Vader gaan noemen, Moeder, Heer en Herder. Nu verwacht ik dat Hij zich laat zien en voelen als ik een slecht bericht krijg van de dokter, als ik in het hospitaal lig, als ik mijn kind zie huilen en als ik overvallen word door een depressie. Het irriteert me dat Hij zwijgt. God beantwoordt niet aan mijn verwachting.
Nu ik Hem nodig heb, nu ik me tot op mijn bot in de steek gelaten voel, nu mijn liefste medemens is heengegaan en ik het Hem toch duidelijk heb laten weten, nu is Hij er niet.

Het voelt alsof God mijn verwachtingspatroon wil corrigeren. Alsof Hij wil zeggen: Ik ben er niet als je gezelschapsdame. Ik ben er niet als je dokter, als je nieuwste medicijn. Ik ben er niet als Degene die een ramp terugdraait, die de natuurwetten openbreekt en die de ruzie tussen je kinderen beslecht.
Ik besta in jou. Ik ben diep in je pijn. Ik lijd onder het kruis dat je draagt. Zelfs de dood kan Mij niet van je losscheuren. Dus zie Mij niet als een pleister op je wonde. Zie Mij als Degene die met je verbonden blijft, ook als je gewond bent, ook als je in het graf ligt. Je kunt niet buiten Mij vallen. Ik ga met je mee de dood in. In Mij blijf je leven.

door: Harrie Brouwers
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons