Ezechiël 37,12-14
De eerste lezing bevat de laatste verzen van de zogenaamde ‘dorre-beenderen-profetie’ in Ezechiël 37,1-14. Ezechiël, als profeet van de terugkeer uit de ballingschap, ziet het herstel van Israël. Hij wordt door de hand van de Heer in een dal vol dorre beenderen geplaatst. Veldslagen vonden in het oude Nabije Oosten vanzelfsprekend niet in de bergen plaats, maar in een vlakte of dal. Als in een vlakte, na de oorlogshandelingen, mensenbotten liggen dan gaat het om gesneuvelden, en wel om gesneuvelden die geen begrafenis hebben gekregen. De Heer vraagt aan de profeet of deze dorre botten nog tot leven zouden kunnen komen. Het klinkt als een retorische vraag, die alleen met neen te beantwoorden is. Maar dat doet de profeet niet. Hij laat het antwoord open: ‘Dat weet gij alleen’ (v. 4).
De profeet krijgt te profeteren tot de beenderen (vv. 4-7). Deze voegen zich daarop aaneen, met pezen, spieren en huid. Maar ze leven nog niet. Daartoe moet de profeet ook nog profeteren tot de levensgeest (vv. 8-10). En nu komen ze echt tot leven.
In vers 11 geeft de Heer aan de profeet uitleg: die dorre botten waren het volk Israël. Nu krijgt de profeet in de verzen 12-14 expliciet de opdracht om tot het volk te profeteren dat de Heer hen weer levend maakt. Een verschuiving treedt daarbij op van de vallei der dorre beenderen naar de graven (v. 13). Het gaat niet alleen om de onbegraven gesneuvelden van het volk, maar om hen allen, in welk graf ze ook liggen.
Romeinen 8,8-11
De tweede lezing sluit aan op de profetie van Ezechiël door de Geest die levend maakt centraal te stellen. ‘Vlees’ staat in de Bijbel voor fragiliteit en sterfelijkheid. Hiertegenover staat de ‘Geest’ die levend maakt, zelfs over de dood heen. Het bewijs daarvan is te zien in Christus Jezus die door de Geest van de doden is opgewekt. Zoals Jezus levend gemaakt is voorbij aan de dood, zo is ook het bestaan van de gelovige. Je lichaam blijft nog wel de dood gewijd, maar je geest leeft reeds en je sterfelijk lichaam zal met Christus Jezus eenmaal levend worden.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Johannes 11,1(3-7.17.20-27.33b-) -45
Het elfde hoofdstuk van het Johannesevangelie bevat het beroemde verhaal van Lazarus, de vriend van Jezus, die gestorven is en door Jezus uit de doden wordt opgewekt. Het verhaal kenmerkt zich door een reeks scènes van (mis)communicaties met Jezus. Op basis daarvan kan de volgende structuur worden vastgesteld:
- scène 1 verzen 1-16 miscommunicatie tussen Jezus en zijn leerlingen
- scène 2 verzen 17-27 miscommunicatie tussen Jezus en Marta
- scène 3 verzen 28-32 miscommunicatie tussen Jezus en Maria
- scène 4 verzen 33-37 miscommunicatie tussen Jezus en de joden
- scène 5 verzen 38-40 miscommunicatie tussen Jezus en Marta
- scène 6 verzen 41-42 communicatie tussen Jezus en God
- scène 7 verzen 43-45 communicatie tussen Jezus en Lazarus
In scène 1 staan de miscommunicaties tussen Jezus en zijn leerlingen centraal. Wanneer Jezus de boodschap krijgt van Lazarus’ zussen, zegt Hij weliswaar dat de ziekte van Lazarus niet tot de dood zal leiden, doch tot verheerlijking van God in de Zoon, maar vervolgens wacht Jezus twee dagen. De eerste miscommunicatie rond Jezus is daarmee geboren: waarom gaat Hij niet meteen? Misschien is Hij dan nog op tijd om de zieke Lazarus beter te maken. De ziekte mag dan in Jezus’ woorden niet tot de dood leiden, maar ondertussen is Lazarus wel gestorven.
Wanneer Jezus dan eindelijk naar Judea wil gaan, verzetten zijn leerlingen zich daartegen. Judea is het gebied waar men nog onlangs probeerde Jezus te stenigen (10,31). Vertrekken naar Judea klinkt als gaan naar het land van de dood. Jezus probeert zijn leerlingen daarom uit te leggen dat er een concreet doel is: de slapende Lazarus. Maar van dat doel begrijpen de leerlingen evenmin iets. Wie slaapt, wordt immers beter – dus is de reis naar Judea niet nodig. Jezus moet hen ronduit zeggen wat er aan de hand is: Lazarus is gestorven. Gestorven blijkbaar aan een ziekte die niet leidt tot de dood… (v.4). De leerlingen geven zich maar gewonnen en gaan met Hem mee, maar niet voor Gods heerlijkheid, niet voor het leven, maar om met Hem te sterven. Dat klinkt misschien mooi, maar als het later, binnen twee weken, in het evangelie daar echt op aankomt, zullen al die leerlingen met hun mooie woorden niet thuis geven…
In scène 2 gaat het om het contact tussen Jezus en Marta, de zus van Lazarus. Deze communicatie begint met een verwijt vanwege Marta aan Jezus dat haar broer niet gestorven zou zijn, als Hij aanwezig geweest was. Maar aan dit verwijt voegt zij de belijdenis toe dat zij gelooft dat God Jezus alles waar Hij om vraagt, zal geven. Daarop ontspint zich een gesprek over de opstanding. Deze, zo geeft Jezus aan, is in Hem reeds grijpbaar.
In scène 3 staan Jezus en Maria, de andere zus van Lazarus, centraal. Ook Maria formuleert eenzelfde verwijt als Marta deed. Door haar tranen heen lijkt het wel of ze Jezus niet eens goed meer kan verstaan. Als Hij naar het graf informeert, zijn het de omstanders die Jezus er heen brengen.
De omstanders en Jezus vormen scène 4. Van de ene kant zien zij de droefenis van Jezus, maar van de andere kant morren ze over Hem: als Hij een blindgeborene kan laten zien (hoofdstuk 9), dan had Hij toch ook deze zieke kunnen redden?
In scène 5 gaat het om Jezus en opnieuw Marta. Zij is, ondanks haar eerdere formuleringen van geloofsbelijdenis, niet bereid gehoor te geven aan Jezus’ verzoek de steen van het rotsgraf weg te nemen. Lazarus ligt al vier dagen dood in het graf en riekt dus al. Het zijn de omstanders die de steen wegrollen.
Het lijkt wel of er niemand gehoor geeft als Jezus iets zegt of vraagt, of elke communicatie miscommunicatie teweegbrengt. Maar scène 6 en 7 vormen daar de uitzondering op. In scène 6 communiceert Jezus met zijn Vader. De tekst vermeldt Jezus’ dankgebed voor de verhoring. De vraagbede gaat daarachter in zijn geheel schuil.
In scène 7 geeft Hij Lazarus de opdracht: ‘kom naar buiten’. En Lazarus, de dode, geeft, als enige van alle mensen rondom Jezus, direct en zonder morren, gehoor aan Jezus’ woorden. Scène 7 eindigt met nog twee verzoeken van Jezus: ‘maakt hem los’ en: ‘laat hem gaan’. Maar of iemand hieraan gevolg geeft, daarover wordt door de evangelist niets verteld.
Met deze zevende scène eindigt de evangelielezing, maar het verhaal kent met de verzen 46-57 nog een achtste scène. Het Johannesevangelie is een keten van oneerlijke rechtsprocessen, culminerend in het schijnproces waarin Jezus ter kruisigingsdood veroordeeld wordt. Het proces tegen de blindgeborene in hoofdstuk 9 verschuift van lieverlee naar een proces tegen Jezus. En ook Lazarus zal daar en passant slachtoffer van worden (12,10).
door: prof. dr. Archibald van Wieringen
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02
