Preekvoorbeeld
Om eind juli een preek te schrijven voor 21 december betekent eigenlijk dat je de actualiteit er buiten moet houden. Dat is me niet gelukt. Het geweld van de oorlogen was teveel in mijn gedachten. Ik vertrouw erop dat u in staat bent die passages aan te passen aan de actuele situatie van 21 december 2025.
Het is bijna Kerstmis. Dat merk je aan alle dingen om je heen. In veel huizen staat de kerstboom en als je door de stad loopt hoor je kerstmuziek. Toch duurt het dit jaar nog vier dagen. Hier staat de kerstboom ook al. Maar met de kerststal hebben we nog maar even gewacht.* Kerstmis is een feest dat veel mensen raakt. En ook al is Kerstmis zelf maar twee dagen, het lijkt of de tijd ervoor steeds langer wordt. Alsof het niet Kerstmis genoeg kan zijn.
Ook de lezingen van vandaag brengen ons in de sfeer van Kerst. In de eerste lezing gaat het om een jonge vrouw, die zwanger is en de naam van het kind wordt al genoemd: Immanuel, God met ons. En ook dat laat ons denken aan het Kerstfeest. Alleen, het is jammer als we het daartoe beperken.
Het is immers nog steeds Advent. En het gaat bij de verwachting in de Advent immers niet alleen om de verwachting van het Kerstfeest. Het gaat om de grotere verwachting van het rijk van God. Het rijk waar mensen leren om met elkaar in vrede en gerechtigheid te gaan. Het rijk dat niet begint met kracht en macht, maar dat begint in kwetsbare mensen. En dat is ook het verhaal achter de profetie van Jesaja in de eerste lezing.
Het is een tijd van oorlog. Jeruzalem, de hoofdstad van Juda wordt aangevallen. Koning Achaz en het volk zijn doodsbang, maar God laat door de mond van Jesaja aan hem weten dat hij niet bang moet zijn. God vraagt aan Achaz om zich niet door angst te laten leiden maar door God zelf. Voor Achaz is dat echter te moeilijk. Hij zoekt steun bij andere landen zoals het machtige Assyrië. Hij kijkt niet naar het goede, hij kijkt naar de macht, hij kijkt naar wat sterk is in de wereld. En daarom wil hij God niet om steun vragen. Het klinkt mooi: ‘Ik vraag God niet om een teken’, maar in dit geval is het omdat Achaz niet op God vertrouwt.
Tegenover de kracht en de macht van sterke buurlanden, en het geweld waar Achaz op vertrouwt, staat de belofte van de jonge vrouw die een zoon zal baren. God wil zich niet laten zien in het geweld van de oorlog, maar in de onschuld van een kind. Niet de macht, niet het geweld, niet de kracht is het teken van God, maar een jonge vrouw die een kind zal baren. Dat kind zal heten: Immanuël, God met ons. God vind je niet bij de groten en machtigen, maar bij wat klein en kwetsbaar is. En het is dan ook niet voor niets dat de evangelist Matteüs in het evangelieverhaal juist dit vers citeert als hij vertelt over de afkomst van Jezus. Dat kleine en kwetsbare mensenkind.
En dat mag ons tot troost zijn en het mag ons moed geven. Want deze tijd met alle conflicten is van een ongekende spanning. De oorlog in Oekraïne, die maar niet ophoudt, De toestand in Gaza die mij de adem beneemt. Het zijn gevechten waarin het alleen maar draait om de macht van sterkste. Ook als dat zoveel onschuldige slachtoffers kost. En moed en troost klinken dan misschien raar. We willen dat het stopt. Maar het lijkt alsof we machteloos zijn. We zoeken naar tekenen van hoop. Maar die tekenen zijn niet te vinden in het geweld. Ze zijn te vinden in heel gewone mensen die ter plekke, met gevaar voor eigen leven, hun best doen om hulp te verlenen. Ook in het geweld zijn er mensen die in alle ellende anderen proberen te helpen. En wij zoals we hier zijn? Onze invloed is beperkt. We hebben in oktober gestemd en het is maar te hopen dat we geen spijt hebben van onze stem. Het mag een troost zijn te weten dat God ook bij ons wil zijn als we ons zwak voelen, ons onzeker voelen, in het onvermogen. Juist daar laat God zich vinden.
De werkelijkheid is vaak hard, en hoe we ook bidden, de werkelijkheid verandert niet zomaar. Laat het bevrijdend zijn als we aanvaarden dat we de wereld niet in de hand hebben. We moeten het als mensen doen met onze eigen grenzen en onze eigen beperkingen. Dat geldt voor alles wat ons overkomt in het gewone dagelijkse leven, maar het geldt ook voor de grote en soms boze wereld.
Het verhaal van God in de Bijbel, het verhaal van Jezus is niet het verhaal van het grote succes. Het is niet het verhaal dat God er voor zal zorgen dat alles goed komt. Het verhaal van de Schrift is een verhaal, dat ons leert hoe we het moeten uithouden als het niet goed is. Het is een verhaal dat ons leert overeind te blijven als we zwak en weerloos zijn. Een verhaal dat leert om naar het licht te blijven zoeken, zelfs als het donker lijkt te zijn. Want, ondanks alles, mogen we blijven vertrouwen. Ondanks alles mogen we ons geliefd en bemind weten. En mogen we het verhaal horen van een God die met ons meegaat. Ook als die God zich laat zien in een klein en kwetsbaar mensenkind.
* Het ligt natuurlijk aan de parochie of de kerststal er wel of niet al is. En ook of het kindje al in de kribbe ligt. Deze zin moet natuurlijk aangepast worden aan de plaatselijke omstandigheid.
door: drs. Frans Broekhoff
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06
