Jesaja 7,10-14
In 735 vChr. is het voortbestaan van de dynastie van David in het grootste gevaar. Profeet Jesaja spoort Achaz aan een teken van redding te vragen. Koning Achaz is eigenwijs. ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de heer niet op de proef stellen.’ Dan geeft God aan Achaz toch een teken. ‘De jonge vrouw (Hebreeuws: álmah, die niet noodzakelijk een maagd is) is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en (zij [!] zal) hem Immanuel ‘God met ons’ noemen.
De Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, vertaalt in haar Fortschreibung ‘de jonge vrouw’ (Jes. 7,14) met ‘maagd’ (Grieks: parthenos). Het Nieuwe Testament citeert het Oude Testament veelal volgens de Septuagint. Vandaar dat de evangelielezing (Mat. 1,23) ook parthenos ‘maagd’ leest.
Romeinen 1,1-7
Paulus begint met de vermelding van de afzender vergezeld van zijn volledige ‘geloofsbrieven’. Paulus vat hiermee alvast het hele evangelie dat hij verkondigt samen. Dat is het evangelie van God dat bij monde van de profeten is beloofd, over Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van God, de Verrezen Heer. In Hem zijn de profetieën tot vervulling gekomen.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 1,18-25
De evangelielezing over het gesprek van Jozef met een engel, biedt twee uitlegmogelijkheden aan. De eerste, de traditionele, is geschikt voor een homilie. De tweede eigent zich daar niet voor en leent zich beter voor een bijbelgesprek met gelovigen die dóórvragen over wie nu eigenlijk de biologische vader is van de mens Jezus.
De gebruikelijke homiletische interpretatie zet Jozef, volgens Bijbelse taal ‘een rechtvaardige’, in het zonnetje als ‘een goeie vent’, ‘een rechtschapen mens’. De Bijbel in Gewone Taal vertaalt: ‘Jozef was een goed mens’. Jozef probeert Maria die onverwacht zwanger blijkt, niet in de opspraak te brengen door ‘in stilte van haar te scheiden’, dat wil zeggen, door zijn verloving ongedaan te maken. Terwijl Jozef met deze gedachte rondloopt, verschijnt er een ‘reddende engel’ op het toneel. Hij vertelt niet hoe de maagd Maria in verwachting is geraakt. Dat mysterie laat de engel onverlet, intact. Wel valt op dat Matteüs een aparte manier van spreken bezigt over dit geheim. Hij vermijdt steevast het voorzetsel ‘door’ dat je hier zou verwachten.
Telkens als bij Matteüs de zwangerschap van Maria ter sprake komt, wordt het voorzetsel ‘uit’ (Grieks: ek) gebruikt. Zie: Matteüs 1,16: ‘Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus verwekt is. In Matteüs 1,18 bleek zij ‘zwanger uit de heilige Geest’; ‘want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest’ (Mat. 1,20). Er staat niet: dóór de heilige Geest. De Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 en 2021 zet ons op het verkeerde been door hier ek wel met ‘dóór’ te vertalen.
De engel stuurt aan op wettige erkenning door Jozef van het nog ongeboren kind van Maria. Hij spoort Jozef aan dat kind een naam te geven, waardoor hij het feitelijk erkent als zijn kind. Maria wordt en passant van eventuele blaam gezuiverd en wat zeker zo belangrijk is: Jezus kan als een zoon van David gelden. Jozef is immers zelf een nakomeling van David (Mat. 1,20). Het vervullingscitaat uit Jesaja 7,14 geeft een opvallende naam van het kind: Immanuel, God met ons. Wel valt hier een verschuiving van onderwerp op. In de Hebreeuwse tekst geeft de jonge vrouw (!) de naam aan het kind. In Matteüs 1,25 is Jozef de naamgever. Maar in het citaat Jesaja 7,14 uit de Septuagint en dus ook hier in Matteüs, worden anonieme naamgevers (men) het onderwerp (Grieks: kalesousin).
Deze uitleg, die geschikt is voor een homilie, laat het geheim hóe de maagd Maria zwanger is geworden, buiten beschouwing. Het mysterie blijft onaangetast staan.
De tweede mogelijkheid om Matteüs 1,18-25 uit te leggen concentreert zich wel op de vraag: hóe werd Maria zwanger van Jezus?
Wij bevinden ons met deze vraag in theologisch salonfähig gezelschap. Volgens de jonge Joseph Ratzinger (toen nog niet paus Benedictus XVI) slaat ‘ontvangen van de heilige Geest‘ uit onze geloofsbelijdenis niet op een biologische conceptie waardoor de heilige Geest de biologische vader van Jezus is. Hij schrijft in zijn Einführung in das Christentum, Kösel Verlag München, 1968, ‘De conceptie van Jezus is een nieuwe schepping, niet verwekking door God. God wordt daardoor niet tot biologische vader van Jezus’ (blz. 225).
Ratzinger vervolgt: ‘Het Zoon van God zijn van Jezus berust volgens het kerkelijk geloof niet daarop dat Jezus geen menselijke vader had; de leer van het God zijn van Jezus zou niet aangetast worden, als Jezus uit een normaal menselijk huwelijk voortgekomen zou zijn. Want het Zoon van God zijn waarvan het geloof spreekt, is geen biologisch, maar een ontologisch (de zijnsleer betreffend JH) feit’ (blz. 225).
In het Duitse tijdschrift Der Spiegel van 22 juli 2013 staat een venijnig interview met de Lutherse bisschop van Hannover mevrouw Margot Kässmann, van 2009-2010 luthers bisschop voor heel Duitsland. Op de knellende vraag ‘Wie is de biologische vader van Jezus?’ antwoordt zij: ’Ik denk dat Jozef in de biologische betekenis de vader van Jezus was. God was het in de geestelijke betekenis.’ Maar hier vergeet mevrouw Kässmann onze evangelielezing, die juist duidelijk maakt dat Jozef niets met de ontstane zwangerschap van Maria te maken heeft.
Nieuwtestamentici attenderen er op dat het relaas van de conceptie van Jezus volgens Matteüs (90 na Christus) en Lucas (tussen ca. 80-100 nChr.) niet in de óudste bronnen voorkomt. Paulus (vanaf ca. 50 nChr.) en Marcus (70 nChr.) vermelden daar immers niets over. Ook het jongste evangelie Johannes (100 nChr.) heeft er geen weet van. Dus zijn er twéé bronnen (Matteüs en Lucas) die de geboorte van Jezus uit de maagd Maria bevestigen tegenover drie die daarover zwijgen (Paulus, Marcus, Johannes).
De Nederlandse bisschoppen, onder voorzitterschap van de bijbelwetenschapper kardinaal Bernard Alfrink (1900-1987), was deze uitslag al in 1967 opgevallen. Zij wijzen daarop in hun brief aan het Vaticaanse departement voor de geloofsleer, gepubliceerd in de Volkskrant van 29 december 1967 en in Katholiek Archief 1968.
Sedert de tweede helft van de vorige eeuw onderkent men het geheel eigen literair genre van de eerste twee hoofdstukken van Matteüs en Lucas, onderscheiden van het literair genre van de rest van hun evangelieverhaal. Het doet denken aan de midrasj. De midrasj is een verhalende bijbeluitleg die niet historisch is. Het literaire genre kan hier dienen om de goddelijke leiding bij de aanstaande geboorte van Jezus te onderstrepen, maar tevens de aandacht af te leiden van een onwelkom feit, namelijk de feitelijke afkomst van de mens Jezus.
‘Maria altijd maagd’
Wat betekent maagdelijkheid in de Bijbel? Talrijk zijn de teksten in het Oude Testament die afval van de God van Israël beschrijven als hoererij. Prostitutie is hét bijbelse beeld voor ontrouw aan jhwh. Lijnrecht daar tegenover staat maagdelijkheid als symbool van absolute trouw en toewijding aan God. ‘De maagd Sion’ is hiervan een voorbeeld. Deze beeldspraak leeft voort in het Nieuwe Testament.
In de Apokalyps 14,4 lezen we: ‘Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt; máágden zijn het en zij volgen het Lam waarheen het ook gaat…’ De aantekening in de Willibrordvertaling 1975, 1995 is duidelijk. Ik citeer: ‘Dit vers kenmerkt op overdrachtelijke wijze de ware gelovigen als diegenen die hun trouw onbesmet hebben bewaard (14,12). Zoals ontucht en hoererij in de Bijbel vaak afgoderij en geloofsafval aanduiden (vgl. 2,20; 14,8; 17,1vv), zo kan de maagdelijkheid de onwankelbare trouw aan Christus betekenen (vgl. 2 Kor. 11,2: De maagden zijn de christenen van beiderlei geslacht die weigeren het beest te aanbidden en voor de bruiloft van het Lam zullen worden uitgenodigd’ (vgl. 19,9 en 21,2).
De Bijbel in Gewone Taal verwerkt de inhoud van deze voetnoot bondig: ‘Zij gingen niet om met ongelovigen. Zij zijn zuiver gebleven.’ Hierop kan de titel ‘Maria altijd maagd’ in de kerken van Oost en West steunen.
Er zijn drie auteurs uit de eerste eeuwen na Christus die er melding van maken dat Maria verkracht is door een Romeinse officier Pantera geheten: Rabbi Eliezer Ben Hyrcanus vermeldt de Tosefta (‘Toevoegingen’bij de Misjna) (Chullin 2,22-24), die verwijst naar Yeshua ben Pantera (Jezus zoon van Pantera) rond het jaar 100. De Griekse filosoof Celsus doet dat in 178 en de apologeet Epiphanius in de vierde eeuw. Christelijke commentaren wijzen die bronnen soms als ordinaire antichristelijke roddel van de hand. partenos
Dominee Jean-Jacques Suurmondt schrijft in Trouw, zaterdag 21 december 2019, bijlage Letter & Geest, pagina 15-19, onder de titel: ‘De schaduw van een apart gezin’: ‘Volgens de filosoof Celsus was Jezus de onwettige zoon van een Romeinse soldaat, wat geen raar idee is… Tijdens een felle discussie in Johannes 8,41 roepen Jezus’ tegenstanders: ‘Wij zijn géén bastaardkinderen. Wij zijn niet ek porneias ‘uit ontucht’ geboren’, met de suggestie: ánders dan jij, Jezus.’
Raymond E. Brown pss, The Gospel According to John, volume I, The Anchor Bible, London 1971, blz. 357 vermeldt: ‘The Jews may be saying: “We were not born illegitimate” (but you were)’.
De zeer ongebruikelijke aanduiding ‘zoon van Maria‘ (niet ‘zoon van Jozef’) in Marcus 6,3 kan in dezelfde richting wijzen. Zie ook Matteüs 1,16. ‘Jakob verwekte Jozef de man van Maria. Bij háár werd Jezus verwekt, die Christus genoemd wordt‘.
door: dr. Jan Holman SVD
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06
