Onderlinge samenhang van de lezingen
‘Vreest niet’, ‘weest niet bang’ lijkt wel een thema in de lezingen van deze zondag te zijn. Zo krijgt Jeremia, na eerst over God te hebben geklaagd, in de eerste lezing de zekerheid dat zijn tegenstanders de ware vijanden zijn, en niet God die hem tegen hen heeft verdedigd. En in het evangelie wordt het vertrouwen uitgesproken dat de leerlingen in Gods handen geborgen zijn, en dat Hij hen door het lijden heen naar het eeuwig leven zal leiden.
Jeremia 20,10-13
Jeremia is medio 7e eeuw v.Chr. in een priesterfamilie geboren en behoorde tot de gevestigde orde binnen de samenleving. Het lag dan ook niet in de lijn der verwachting dat hij als profeet zou optreden. Profeten waren immers de grote critici van het establishment en traden als Gods woordvoerder op. Zij waren in staat om Gods visie op de maatschappij te vertolken. Men hoorde hun kritische woorden niet graag. Zo drukt Jeremia in Jeremia 20,7-18 een zeer intense pijn uit die bijna aan wanhoop grenst. Deze lange poëtische klaagzang bestaat in de eerste plaats uit twee jammerklachten, waarvan er een over JHWH gaat (20,7-9) en een over de vijanden van de profeet (20,10vv). Vervolgens treffen we in 20,13 een korte hymne aan, waarna Jeremia in 20,14-18 – in de vorm van een vervloeking – de wanhoop overbrengt die hij voelt als hij het onophoudelijke lijden in zijn eigen leven overdenkt.
Jeremia begint zijn klaagzang met een klacht over God. Dit klinkt opmerkelijk, maar is het niet. Jeremia is namelijk deels vrijwillig (hoewel door overreding) en deels onder dwang (door overweldiging) een profeet van God geworden. Het gevolg hiervan is dat men Jeremia, vanwege de kritische boodschap die hij met enige regelmaat verkondigt, met spot en hoon is gaan bejegenen. Zijn boodschap is altijd ‘geweld en verwoesting’ geweest (v. 8). Hierbij is het vaak onduidelijk of het nu gaat om een dreiging van Gods oordeel, de inhoud van de spot door het volk, een verslag van de zonden door het volk, of een verslag van wat hij uit hun handen (of zelfs uit Gods handen) heeft ontvangen.
Jeremia hoort – aldus de eerste lezing van deze zondag – de laster van het volk, die zijn woorden bespot. Ik hoor velen fluisteren’, aldus Jeremia, ‘daar heb je: “Ontzetting-overal” (v. 10). Breng hem aan. Ja, we brengen hem aan.’ Misschien beschouwen zij Jeremia als een schrikbeeld voor iedereen. Hij predikt immers alleen maar rampspoed en ellende. Zij wachten op zijn val en nemen, in een ironische wending, de woorden van Jeremia over die beschrijven hoe God hem heeft overweldigd: ‘misschien laat hij zich misleiden; dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.’ Deze woorden klinken dreigend in de oren. En toch. Uiteindelijk zal Jeremia niet door zijn vijanden worden overwonnen. God is zijn heldhaftige strijder, zijn kampioen die hem verdedigt en al zijn vijanden verslaat. Daarom zullen de vijanden struikelen, en niet Jeremia. Zij zullen worden overwonnen en te schande worden gemaakt.
Jeremia sluit zijn poëtische klaagzang af met een lofzang. Misschien beeldt hij zichzelf af als de arme uit deze lofzang, die door de Heer uit de handen van de boosdoeners wordt bevrijd. Let op de verandering die heeft plaatsgevonden. Jeremia begon met een klacht over God. Maar toen hij overging op een klacht over zijn vijanden, kreeg hij de zekerheid dat zij – en niet God – de ware vijand waren. God was en is zijn machtige strijder en verdediger.
Literatuur
Barbara Bozak, ‘Jeremia’, in: Erik Eynikel, Ed Noort, Tjitze Baarda en Adelbert Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel Band 2, Kampen, Uitgeverij Kok, 2001, 1154-1198.
Peter G. Craigie, Page H. Kelley and Joel F. Drinkard, Jr., Jeremiah 1-25 (Word Biblical Commentary, Vol. 26), Grand Rapids, Zondervan, 1991.
Romeinen 5,12-25
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86.
Matteüs 10,26-33
In Matteüs 10,5b-42 houdt Jezus, vlak voordat Hij de twaalf apostelen uitzendt, een lange zendingsrede voor hen. De evangelielezing van deze zondag, die daar een onderdeel van is, roept de bemoedigingswoorden in herinnering die in het boek Jesaja aan de knecht Israël worden gegeven in de zogeheten ‘vrees niet’-spreuken (Jes. 35,4; 41,10). Overal waar de apostelen de blijde boodschap van het rijk Gods verkondigen, zal er tegenstand zijn. Wanneer die tegenstand tot openlijke vijandigheid escaleert, hoeven zij niet bang te zijn. Immers, omdat Jezus degene is die de apostelen uitzendt en omdat zij niet kunnen verwachten dat zij beter dan hun leraar worden behandeld, moeten zij hun natuurlijke angst voor hun tegenstanders overwinnen en trouw blijven aan hun roeping.
Weest dus niet bang voor hen, aldus Jezus aan het begin van de evangelielezing. De reden hiervoor is nauw aan Lucas 12,2 verwant, en verzekert de angstige apostelen ervan dat er niets verborgen is dat niet onthuld zal worden, en niets geheim dat niet bekend zal worden. Ofschoon Lucas hiermee naar het menselijk gedrag verwijst – ‘Want wat jullie in het donker zeggen, zal men in het licht horen’ (Luc. 12,3) – lijkt Matteüs het echter als een verwijzing naar het mysterie van Jezus’ messiasschap op te vatten, en verandert hij daarom de indicatieve uitspraak in een imperatief: ‘Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht.’ Wat, met andere woorden, tijdens Jezus’ aardse leven geheim moest blijven – denk bijvoorbeeld aan het zwijggebod na bepaalde woorden en wonderen van Jezus -, moet na Pasen van de daken worden verkondigd. Hierbij vormen de platte daken, die toenmalige gebouwen doorgaans hadden, een ideaal platform voor verkondiging aan een grote groep mensen.
Het zijn dus niet de tegenstanders die de apostelen moeten vrezen, maar veeleer God zelf. God kan hen tot de eeuwige dood veroordelen. Maar de medaille heeft twee kanten: God de Vader, die over de mussen waakt en het aantal haren op ieders hoofd kent, zal voor zijn leerlingen zorgen bij alles wat zij in dienst van het evangelie moeten doorstaan. Deze ietwat overdreven uiting is effectief. God zal de apostelen niet tegen het lijden beschermen – want zelfs Jezus moest het lijden ondergaan – maar Hij die zij Vader noemen, zal zijn kinderen door het lijden heen naar het eeuwige leven leiden.
Hiermee is het verhaal nog niet ten einde. De relatie die iemand met Jezus heeft, is van het grootste belang. Immers, een relatie met God is alleen mogelijk door een relatie met Jezus, en hem verwerpen is in feite God verwerpen. Dit zien we ook terug in de verzen 32-33, waarin we lezen dat ieder volgeling die Jezus bij zijn medemensen erkent of verloochent, ook door Jezus bij zijn Vader zal worden erkend respectievelijk verloochend. Sommige exegeten nemen aan dat dit geen authentieke uitspraak (logion) van Jezus is. Volgens hen zouden deze verzen naar de bekentenissen en ontkenningen in de toenmalige rechtbank verwijzen, en daarmee een situatie na Pasen weerspiegelen. Anderen zien dit geheel anders. Zij betogen dat de werkwoorden ‘erkennen’ en ‘verloochenen’ veelal in een niet-juridische context worden gebruikt, bijvoorbeeld bij Petrus’ verloochening van Jezus in 26,69-75.
Literatuur
Donald A. Hagner, Matthew 1-13 (Word Biblical Commentary, Vol. 33A), Grand Rapids, Zondervan, 2000.
Douglas R.A. Hare, Matthew (Interpretation. A Bible Commentary for Teaching and Preaching), Louisville, John Knox Press, 1993.
door: dr. Max G.L. van de Wiel OCSO
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03
