Ze hadden de opgestane Heer ontmoet, de Emmaüsgangers. Op zondagmiddag, die allereerste zondag na Goede Vrijdag. Maar een tijdlang hadden ze helemaal niet doorgehad dat Hij het was. Dat vind ik altijd weer een spannende gedachte: ze herkenden Hem niet aan zijn uiterlijk. Niet aan zijn kleren, niet aan zijn tred, niet aan zijn oogopslag, niet aan zijn stem. Maar wél aan de manier waarop Hij het brood met hen brak. Ze hadden een tijd samen opgelopen, ze hadden gepraat, stilgestaan en elkaar aangekeken; ze hadden Hem zelfs verteld dat er geruchten gingen dat Jezus zou zijn opgestaan uit de dood; ze waren weer verder gelopen, hadden Hem binnengevraagd, eten klaargemaakt. Al die tijd hadden ze wél het gevoel: dit is bijzonder, deze ontmoeting doet iets met ons. Maar dat Hij het was, dat ze met de Opgestane aan tafel zaten – dat drong pas door toen Hij brood nam, ervoor dankte, het brak en het aan hen uitdeelde.
Nemen, danken, breken, delen: die vierslag komt telkens weer voor in de verhalen over Jezus. Zo staat het er bij de wonderbare spijziging waar Jezus duizenden mensen voedt. Zo staat het er ook bij het Laatste Avondmaal. Als Paulus aan de gemeente van Korinte instructie geeft over hoe je in de kerk de maaltijd van Jezus viert, benoemt hij het precies zo: we denken aan Jezus en hoe Hij het brood nam, dankte, brak, deelde.
Wat Jezus uitdeelde, was de liefde van God die Hij zelf belichaamde. Hij deelde zichzelf uit, blijkbaar heel tastbaar voor de mensen die erbij waren. Hij deelde niet iets uit wat Hij gemakkelijk kon missen, de restjes waar Hij zelf toch niets meer mee deed: Hij deelde echt zichzelf uit, Hij legde zijn hele ziel en zaligheid in het brood, en in de woorden die Hij erbij sprak.
Breken en delen – veel dingen kun je niet delen als je ze heel wilt houden. En veel kun je niet weggeven als je jezelf heel wilt houden. Jezus heeft zichzelf niet heel gehouden. Om zijn leerlingen ervan te verzekeren dat Gods liefde ons zelfs door lijden en dood heen draagt, heeft Hij zijn eigen heelheid opgegeven. Hij heeft zich laten breken om het leven uit te kunnen delen.
In minder heftige mate kennen we dat misschien wel allemaal: om anderen te kunnen geven wat je ze heel graag wilt geven, moet je zelf iets opgeven, van iets afzien. Je eigen gave leventje moet soms gebroken worden om te kunnen uitdelen wat je anderen gunt. Je tijd, die je soms zo graag helemaal voor jezelf zou hebben: daar breek je een stuk af voor je kinderen of kleinkinderen, een stuk voor je ouders, stukken voor buren en vrienden, een stuk voor de kerk of de vereniging. Breken en uitdelen, je doet het met je tijd, met je geld, soms ook met je zielenrust. Het is de beweging van Christus, de beweging van God.
We horen in de Paastijd dat de opgestane Heer zijn wonden laat zien. Hij heeft niet zijn gebroken lichaam ingewisseld voor iets nieuws. De sporen van zijn gebrokenheid blijven bewaard, ze zijn als het ware opgenomen, geïntegreerd in zijn nieuwe heelheid. Het nieuwe leven is niet alsof er nooit wat gebeurd is. Het nieuwe leven tilt alles wat er gebeurd is op en geeft het glans.
Het doet me denken aan die Japanse manier om met gebroken aardewerk om te gaan – dat heet kintsugi. De lijmnaden worden niet onzichtbaar gemaakt, maar juist extra zichtbaar, de breuklijnen aangezet met goudverf of zilververf. Wie kintsugi beoefent, realiseert zich al doende dat elke breuk ook iets toevoegt aan het leven. Er is niet alleen een verloren heelheid die nooit meer terugkomt, maar ook een nieuwe heelheid waarin de breuklijnen en de opgelopen wonden worden geëerd. De littekens van de Heer zijn eretekenen geworden. Sommige pijnpunten in je eigen geschiedenis zijn ankerpunten geworden. Je hebt geleden, maar het heeft je ook gevormd.
Breken en delen. Jezus brak brood en deelde het uit, en de mensen voelden dat Hij zichzelf uitdeelde, en mét zichzelf de liefde van God. Dat is hoe Jezus zich kenbaar maakte aan die twee leerlingen in Emmaüs en later ook nog aan anderen. Dat gebaar is tot rituele praktijk geworden in de eucharistie, en op allerlei manieren is het ook levende praktijk in uw en mijn leven. De oude heelheid, die van ons ongestoorde leven, wordt stukgebroken om te kunnen delen. Zo zijn we onderweg naar de nieuwe heelheid – niet van ons ongestoorde leven maar van Gods rijk dat ons allemaal verbindt, met elkaar, met heel de schepping, met Christus, met God. Lof zij U Christus!
door: dr. Piet van Veldhuizen
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02
