Handelingen 2,14.22-32
In deze keuze uit de rede van Petrus worden Pasen en Pinksteren bijna op dezelfde dag gehouden, omdat het een passage uit een Pinksterpreek van Petrus betreft. Dat is op zich een goede zaak: de twee feesten vallen binnen één liturgische tijd, die ook de ervaringen van de dood, verrijzenis, verheerlijking (hemelvaart) van Christus en de gave van de Geest in gedachten houdt en deze als een coherent geheel presenteert. Petrus verschijnt in de rol van Israëliet die tot zijn mede-Israëlieten spreekt; dit gebeurt op een wijze die past in de joodse traditie, meer specifiek in de traditie van de Psalmen zoals die als profetisch boek werden gelezen.
Naast de feitelijke inhoud biedt deze rede van Petrus ook een historisch interessant overzicht van de verkondiging en interpretatie van de Schrift in het vroege christendom. Petrus maakt in zijn rede een dubbele beweging. Het betreft meer dan alleen ‘Jezus teruglezen in het Oude Testament’ – het lot van Jezus wordt eerder belicht in relatie tot wat er ook in de Schriften te lezen is. Alleen in dat licht is het mogelijk om te begrijpen wie Jezus is en wat er met Hem is voorgevallen. Deze oude teksten worden tegelijkertijd op een nieuwe manier van belang; wat ze zeggen over David (en over hem) krijgt ook een concrete vorm in het leven, sterven en opstanding van Jezus van Nazaret.
Dit dubbele effect van heilige, canonieke teksten is kenmerkend voor hun genre: nieuwe gebeurtenissen worden in hun licht verstaan, terwijl deze gebeurtenissen op hun beurt een nieuw perspectief bieden op de oude teksten en hen op een nieuwe manier tot leven brengen.
Psalm 16
Dit danklied, toegeschreven aan David, is de psalm die Petrus uitvoerig gebruikt in zijn toespraak in de Handelingen van de Apostelen. De tekst vindt mogelijk zijn oorsprong in een danklied over een gelofte; in ieder geval werd de inhoud in dat licht gelezen toen het gedicht zijn titel kreeg. De ‘oorspronkelijke’ betekenis van deze poëtische tekst, waarin de betrouwbaarheid van God en zijn blijvende nabijheid en ondersteuning centraal staan, is op deze zondag slechts gedeeltelijk relevant. Het is vooral van belang om de dood en verrijzenis van Christus te verstaan in het kader van de psalm, evenals de psalm in het licht van deze gebeurtenissen.
1 Petrus 1,17-21
Deze mooie zinnen van het eerste hoofdstuk van de eerste brief aan Petrus bieden de lezer een bijzondere kijk op het lijden en de opstanding van Christus. De zinnen zijn deel van een bredere bemoediging en zelfs vermaning van de oorspronkelijke adressanten, die in geloof moesten blijven in een moeilijke situatie.
De belangrijkste uitdagingen in die de brief in deze en de voorafgaande zinnen voorkomen, zijn enerzijds: niet toegeven aan ‘lusten’, en anderzijds: je vertrouwen (pistis, wat ‘geloof’ betekent – vgl. v. 21) richten op niets of niemand anders dan op God en op wat Hij heeft bewerkt door het bloed van Jezus Christus. Zijn bloed wordt beschouwd als het bloed van een smetteloos lam (v. 19): om mensen te reinigen zodat zij bij de wederkomst van Christus ook genade zullen ontvangen (v. 13). Deze metafoor van het reinigende bloed van Christus, als dat van een smetteloos lam, vindt zijn oorsprong in opvattingen over de werking van offers.
Het draait minder om het feit dat Christus een offer is, maar vooral om het vergieten van het bloed van Christus, dat dezelfde effecten heeft als een offer, namelijk het reinigen van mensen. Het is bovendien niet de enige metafoor voor de verlossing in de brief (zie ook v. 3: herboren worden door de verrijzenis). De brief geeft niet aan hoe dit allemaal precies in zijn werk gaat, maar maakt via een aantal beelden en vergelijkingen wel duidelijk dat het werkt. Misschien lijkt dit ook op de ervaring van de eerste Christenen; zonder te begrijpen hoe alles precies verliep, ervoeren ze in de Geest dat God in de dood en opstanding van Jezus ook voor hen nieuw leven bewerkstelligde.
Zie: dr. P. van Veldhuizen, ‘De eerste brief van Petrus. In de wereld staan’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103
Lucas 24,13-35
Het verhaal van de twee leerlingen op weg naar Emmaüs behoort tot de meest bekende en geliefde teksten uit het Nieuwe Testament. Tijdens het feest van Pasen, dat vijftig dagen aanhoudt, is het op de derde zondag van dit feest heel passend om te lezen dat de leerlingen moeten leren omgaan met de verrezen Heer als iets dat meer is dan alleen een droom. Het is een zeer uitgebreid verhaal, waarin verschillende motieven spelen. Het kan bijvoorbeeld met recht worden beschouwd als een verhaal over het verwerken van een trauma, met name het trauma van de dood van Jezus (vgl. vv. 19-21), wat alle hoop van de leerlingen heeft verwoest.
Door mentaal en fysiek een pad te volgen, kunnen ze geleidelijk gebeurtenissen in een breder perspectief bekijken – dat van de Schriften en van het bredere verhaal waarin ze zich bevinden – en het op die manier in het eigen levensverhaal integreren om zo verder door het leven te kunnen gaan. Is deze dynamiek – met zijn focus op tijd, die essentieel is voor een weg, begeleiding, zoals die van Jezus, gemeenschap, zoals die tussen de Emmaüsgangers en Jezus, rituelen en voedsel, zoals die in de avondlijke maaltijd aanwezig zijn –, niet ook toepasbaar op andere traumasituaties?
Een ander aspect van het verhaal betreft de wijze waarop Jezus aanwezig is en voor beide leerlingen, Kleopas en zijn medeleerling, herkenbaar is. Dit is de meest evidente thematiek in het verhaal: Jezus start onherkenbaar – de Verrezene is niet te begrijpen – en wordt daarna in meer of mindere mate als een mogelijkheid of zelfs noodzaak (vgl. v. 26 en het daar genoemde ‘moeten’ lijden) binnen de Schriften geplaatst, en wordt vervolgens een ervaarbare werkelijkheid in de gemeenschap van de maaltijd. Dit roept verschillende vragen op over de wijze waarop de Verrezene onzichtbaar en onherkenbaar is en ontdekt en ontmoet moet worden; ook in een tijd en in een samenleving waarin, net als in de eerste eeuw, leven dat sterker is dan de dood bijna niet te begrijpen is.
Uiteindelijk zou je je ook kunnen afvragen wat Jezus zo opvallend maakt bij het breken van het brood (vv. 30 en met nadruk 35). Misschien hangt dat samen met de paradox dat het breken en delen van het brood, vergelijkbaar met het breken van Jezus’ lichaam aan het kruis, communio is en daardoor gemeenschap bevordert? Het zou mooi aansluiten bij de focus die in de liturgie ligt op het rituele breken van het brood als de voorlaatste essentiële handeling van de Eucharistie, ondersteund door het ‘Lam Gods’ (zie v. 30 voor de vier essentiële handelingen in de Eucharistie: nemen – dankzeggen – breken – delen; deze handelingen verschijnen ook in het laatste avondmaal en bij de wonderlijke spijzigingen in hun diverse nieuwtestamentische varianten).
door: prof. dr. Peter-Ben Smit
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02
