Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

18-02-2026

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

We staan bij het begin van de Veertigdagentijd. We komen samen rond een oeroud teken dat ons herinnert aan onze eindigheid. Stof en as zijn we, vergankelijk als de wind. Veertig dagen zijn ons aangezegd om tot inkeer te komen. Vandaag kan het niet anders dan dat we ons niet alleen vragen stellen over ons persoonlijk leven, maar ook of het nog wel goed komt met de wereld. Zoveel ellende waardoor mensen alle waardigheid verliezen, kinderen omkomen van honger en dorst, ouderen op de vlucht gejaagd op zoek naar ‘God weet waar’. Het lijkt alsof de waanzin zich heeft meester gemaakt van de menselijke soort. Vrede is ver weg. Gerechtigheid is een verre droom.

Kennen we vandaag nog geloofwaardige figuren die de hoop niet opgeven? Het moeten wel profetische gestalten zijn. Want er is moed voor nodig. En doorzetting. Op het wereldgebeuren hebben we geen invloed. Wanhoop staat dichterbij dan ooit. De profeet Joël (eerste lezing) weigert daar aan toe te geven. Hij zet alle krachten in om de wanhoop te weerstaan. Wellicht klinkt zijn stem voor ons vandaag nauwelijks geloofwaardig. Joël daarentegen gelooft in de nabijheid van God. Gedragen door dit vertrouwen roept hij alle krachten op om te geloven in een betere toekomst. Waarlijk een profeet. Misschien kunnen wij eenzelfde doortastendheid niet aan. Maar wij hoeven ons niet compleet lamgeslagen te voelen. Want we kunnen wél iéts doen. We kunnen weigeren toe te geven aan de wanhoop. Hier en daar kunnen we kleine lichtjes van hoop aan elkaar doorgeven. Lichtjes die ondanks alles blijven branden.

Deze Veertigdagentijd is kairos: een tijd die uitdaagt tot bezinning en het maken van keuzes. Nu is het de gunstige tijd, laat die niet aan je voorbijgaan. Durf keuzes te maken. De asoplegging waarmee we vandaag onze eindigheid erkennen geldt voor ons persoonlijk leven, heel zeker. Maar het geldt ook voor de geschiedenis waarin we staan. Het besef van de radicale contingentie van ons bestaan en van het hele wereldgebeuren roept indringende vragen op. Is er wel toekomst zoals het hoopvol heel de Bijbel door weerklinkt? Of draaien we alleen maar rondjes in een wereld die telkens weer hetzelfde te zien geeft?

De Veertigdagentijd is op de eerste plaats mijn kairos: het gaat er om of ik me inzet om mijn levensroeping waar te maken. Want ieder mens heeft op de een of andere manier een roeping in het leven. Of die roeping groot of klein is, ieder staat voor de uitdaging bij te dragen aan de realisering van het goede leven voor allen. Daarvoor is het nodig zich af en toe terug te trekken in de binnenkamer, zoals de aanmaning van Matteüs luidt (Mat. 6). We kunnen ons oefenen in het luisteren naar de stem van ons geweten. Die bezinning mag niet ontbreken. Zelfs al beseffen we niet méér te kunnen dan aan te sluiten bij de ‘kleine goedheid’ (Levinas), het loont de moeite. Daarmee veranderen we het wereldgebeuren niet, maar we blijven er de moed in houden.

De Veertigdagentijd wordt ook vaak een tocht door de woestijn genoemd. Als zodanig is dit niet bepaald aantrekkelijk. Maar ik hoef die woestijntocht niet alleen te gaan. Ik ben gelukkig met anderen samen verbonden in een zelfde verlangen naar echt en vol leven. Tochtgenoten en lotgenoten.

We putten moed en vertrouwen uit het voorbeeld van bijbelse figuren die in hun leven voor prangende vragen hebben gestaan. Zoals het verhaal van Mozes die zich uitgedaagd weet naar de farao te gaan en het volk weg te leiden uit Egypte: ‘Ik kan niet goed spreken’ (Ex. 4,10) probeert hij de opdracht van zich af te wentelen. Of de keuze waar de joodse gemeenschap voor geplaatst wordt aan het einde van de woestijntocht. Met het zicht op het beloofde land worden ze door Mozes voor de keuze gesteld: ‘Leven en dood houd ik u voor, kies dan het leven’ (Deut. 30,15).

De Bijbel erkent de twijfel die mensen kan overvallen en te neer slaan. Maar hij laat het perspectief van vertrouwen en hoop niet los. Het blijkt al bij het begin van de bijbelse geschiedenis. Van meet af aan klinkt er een stem die de mens tot leven roept. Zo ervaart Abraham het, de oer-aartsvader. Hij hoort een stem die hem roept te vertrouwen dat het leven hem goed gezind zal zijn. Het lijkt hem redelijkerwijs gesproken onmogelijk. Hij is oud en dat is ook het geval voor Sara, zijn echtgenote. Er zijn geen kinderen. En dan overkomt hen het grootste geluk dat ze konden dromen: Isaak wordt geboren. Tegen alle verwachting in.

Telkens weer wordt ons vertrouwen op een betere wereld op de proef gesteld. En telkens weer voelen we de aandrang op te geven. We worden inderdaad geconfronteerd met de vergankelijkheid van alles en iedereen, Maar er is ook de vreugde om het nieuwe leven dat we begroeten als een wonder. Ondanks alles. Laten we de woestijntocht van veertig dagen ter harte nemen.

door: Ignace D’hert OP
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.45.1
Volg ons