De lezingen voor Aswoensdag cirkelen rond het thema bekering, natuurlijk geëigend voor het begin van de Veertigdagentijd. Ze doen dat alle vier op een verschillende manier.
In Joël roept de profeet het hele volk op om zich te ontdoen van een algemeen heersend defaitisme dat het nooit meer wat zal worden met Israël. Paulus schrijft aan de gemeente van Korinte een brief om een misverstand recht te zetten, maar grijpt de gelegenheid aan om zijn lezers en toehoorders mee te nemen in het geloof dat hem zo veranderd heeft en goed doet. ‘Dit is het moment om je te laten raken,’ zegt hij als een ware reclamemaker. Jezus graaft in de Bergrede naar de diepte en laat zien dat we in onze pogingen om goed te leven ons al te vaak laten leiden door ‘wat de anderen ervan vinden’. ‘Maak je daar los van,’ zegt Hij.
Psalm 51, waarop ik in het hier volgende niet verder inga, is te lezen op strikt persoonlijk niveau. De psalmist (David?) erkent z’n ernstige zonde, maar vertrouwt op God en op de nieuwe kans die hij van Hem krijgt.
Joël 2,12-18
Het boek Joël is geschreven rond 400, toen Judea, het gebied dat het Joodse volk als zijn thuisland beschouwde, door de Perzen beheerst werd. Het had enige politieke zelfstandigheid, maar was klein: niet meer dan de stad Jeruzalem en omgeving. Daar hadden de Judeeërs hun eigen Tempel en oefenden de hogepriesters het hoogste gezag uit. Maar alles stond binnen de onverbiddelijke begrenzingen die het goed georganiseerde Perzische Rijk oplegde.
Er zijn relatief veel oudtestamentische teksten die uit deze tijd stammen, en er zijn kronieken van Perzische en Griekse oorsprong (zo gebruikte de Griekse geschiedschrijver Herodotus als eerste de naam ‘Palestina’). Op deze manier kunnen we ons enig beeld vormen van de politieke, religieuze en sociaaleconomische omstandigheden van die tijd in Judea. Joël zelf zinspeelt ook op het een en ander.
Joël begint z’n profetie met de uitgebreide beschrijving van een sprinkhanenplaag (hoofdstuk 1). Wie er weleens een meegemaakt heeft weet dat zo’n invasie van vraatzuchtige dieren verwoestend is. In gebieden als Palestina komen ze met regelmaat voor, en waarschijnlijk zal de profeet hier verwijzen naar eentje die bij zijn toehoorders nog vers in het geheugen ligt. Maar hij gebruikt de plaag eigenlijk als beeld van iets anders, namelijk van andersoortige verwoestingen die het land getroffen hebben. In het laatste hoofdstuk (hoofdstuk 4) is Joël daar expliciet over: vreemde volken hebben in Israël de macht overgenomen en volk en land uitgekleed en uitgeperst. Dat begon al in vorige eeuwen met de Assyriërs en Babyloniërs, en dat is onder de Perzen niet anders. Als je al eeuwen onder vreemde heerschappij moet leven, is het niet vreemd te denken dat het wel altijd zo zal blijven, als een natuurverschijnsel, zoals een sprinkhanenplaag.
Precies tegen dergelijk defaitisme keert de profeet Joël zich. Hij begint zijn profetie over die natuurlijke catastrofe, die tegelijk beeld is van de uitbuiting en leegplundering door de vreemde bezetters. Maar te midden van dat al zal binnenkort de Dag van de Heer aanbreken. De ene, de God van Israël, golft als een onweerstaanbaar machtig invasieleger over het land (2,1-11). Het volk van God moet zich op zijn komst voorbereiden, en dat vraagt de inzet van alles. Het tekstgedeelte van vandaag gaat daarover: ‘Keer u om naar Mij met heel uw hart, scheur uw hart en niet uw kleren, keer u om.’ Dit is een ondubbelzinnige oproep om moed te vatten, om zich te bezinnen op de eigen spirituele schatten die Israël bezit: het geloof in de ene, de God die de aarde doet beven en de hemel sidderen. Joël roept op tot een nieuwe toewending tot God. Laat men daar alle beschikbare vormen van vasten en boete voor gebruiken. Het zal de krachten vrijmaken om weer te kunnen geloven. Het is mogelijk dat het land weer tot nieuwe bloei komt (2,18-27; 4,18). Iedereen, van laag tot hoog, zal er actief bij betrokken zijn (zie het prachtige visioen van 3,1-5, dat in het Pinksterverhaal in Handelingen 2 aangehaald wordt), de onderdrukkende machten zullen worden gevonnist (hoofdstuk 4).
Vasten en boete hebben bij Joël dus uitdrukkelijk de functie om zich voor te bereiden op ingrijpende veranderingen die alle aspecten van het leven betreffen. Oorlog kan vrede, gebrek kan voorspoed, onderdrukking kan vrijheid worden. Het is God zelf die dat zal bewerkstelligen, op de dag die Hij vaststelt, maar onze inzet daarbij is wel onmisbaar.
De Tweede Brief aan de Korintiërs 5,20–6,2
Deze brief van Paulus is niet gemakkelijk. Sommige exegeten zeggen dat deze de meest persoonlijke van Paulus is. Andere menen juist dat deze brief eigenlijk een compilatie is van verschillende brieven. Ik voel er het meest voor om de brief als eenheid te lezen, geschreven door die apostel die naar eigen zeggen niet welsprekend was, maar zo graag zijn geloof wilde delen met anderen en daarvoor in zijn brieven alles aan retorische vermogens uit de kast haalde. En Paulus kon schrijven, al was hij niet glad en gepolijst en kon hij zich soms verliezen in details. Maar op andere momenten zei hij weer dingen die mensen voor altijd bijbleven.
In deze Tweede Brief aan de Korintiërs speelt tussen Paulus en de gemeenschap van Korinte van alles waar we niet zomaar vat op krijgen. Er zijn dingen gebeurd waar nu alleen op gezinspeeld wordt, die bekend verondersteld worden. Iets ervan kunnen we wel reconstrueren.
Het lijkt erop dat Paulus in Korinte met iemand een conflict gehad heeft, maar de gemeenschap heeft het voor hem opgenomen en die ander op z’n plek gezet (2,5-6). Het betekent niet dat de positie van Paulus nu onomstreden is, want hij had beloofd terug te zullen komen, maar heeft dat niet gedaan. Met deze brief wil hij daarom iets goedmaken, iets rechtzetten. Maar hij wil niets opleggen, de brief heeft eerder een toon van verleiden. Hij wil Christus in zichzelf aan de Korintiërs laten zien, hij wil voelbaar maken dat het oude leven loslaten en het nieuwe (in Christus) toelaten alles verandert. Paulus weet dat het niet gemakkelijk is om mensen in die beweging, die hijzelf diepgaand heeft doorgemaakt, mee te nemen. De dingen die hij zei zullen zijn toehoorders en lezers geïntrigeerd hebben, maar soms ook geïrriteerd of onbegrijpelijk zijn voorgekomen, zoals dat ons ook overkomt als we hem lezen. Maar het eerste heeft altijd geprevaleerd. Het is daarom dat Paulus’ brieven bewaard zijn gebleven en nog altijd worden gelezen.
In het fragment van vandaag gaat het over verzoend raken met God. Daarmee wordt de oude schepping, het oude leven losgelaten, ‘toen we Christus nog naar menselijke maatstaven beoordeelden’ (5,16). Paulus zal toen hij deze woorden schreef zeker aan zichzelf voor zijn bekering gedacht hebben. Maar hij weet dat hij voorgoed veranderd is en dat gunt hij ook zo aan ieder die daarvoor openstaat. Hij noemt die verandering ‘nieuwe schepping’, want het is dermate ingrijpend dat het deze benaming verdient. Christus wijst de weg naar deze verzoening met God. Het woord ‘verzoenen’ duidt op een eerdere fase van niet verzoend zijn, van wrijving en conflict. Die zit in ons, niet in God. Wij moeten ons verzoenen (vers 20), ons verzoenen met God en dus ook met onszelf. Wij moeten ons heen zetten over oude overtuigingen die weliswaar houvast gaven, maar het leven dooddrukten.
Dit is het moment om die verzoening te zoeken, eindigt Paulus zijn betoog met een citaat uit Jesaja 49,8. Hij zegt het als een rechtgeaarde verleider, het is het enige wapen dat hij heeft en ook het enige dat hij wil gebruiken.
Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68
Matteüs 6,1-6.16-18
De Bergrede is het grote, door Matteüs geconstrueerde betoog van Jezus, waarin hij laat zien dat leven volgens de Joodse Wet heel belangrijk is, maar dat het er vooral om gaat volgens de geest van de Wet te leven. Je bent er niet met het letterlijk vervullen van de geboden, maar je moet er eigenlijk binnenin kruipen. Dan zie je waar het om gaat. In hoofdstuk vijf citeert Jezus een aantal wetten en zegt er steeds bij: ‘En ik zeg jullie…’ En daar gaat Hij dan voor in dat naar binnen kruipen: gij zult niet doden, maar je doodt een ander niet alleen door hem met een mes in het lijf te steken. Dat kan ook al door hem te verachten of af te schrijven. En zo gaat Jezus door met voorbeelden. Hij verrast er de toehoorders mee en zet hen aan tot nadenken.
In het fragment van vandaag stelt Jezus drie vormen van gerechtigheid doen centraal: aalmoes geven, bidden en vasten. Gerechtigheid doen heeft dus niet alleen betrekking op aalmoes geven. Als we namelijk goed bidden en vasten, plaatsen we onszelf tegenover God, oefenen we ons een goed mens te zijn, bescheiden, er niet op uit om op anderen indruk te maken. Alleen zo kunnen we gerechtigheid doen.
Het is opvallend dat Jezus bij alle drie de vormen van gerechtigheid doen de volle nadruk erop legt dat we niet moeten handelen met het oog op anderen, om door de mensen gezien en geprezen te worden. Als we aalmoezen geven mag de linkerhand niet weten wat de rechterhand doet; als we bidden moeten we dat doen zonder dat anderen het zien; als we vasten mogen we geen somber gezicht zetten om daarmee indruk te maken op anderen. Jezus ziet heel scherp dat bij veel wat we doen ‘die anderen’ een storende factor vormen. Ik geef jou, arme, een aalmoes, ik plaats me voor jou, God, in gebed of vasten, maar eigenlijk zijn ‘die anderen’ belangrijker. Feitelijk kijk ik langs jou arme, of jou God, heen om te zien of ‘de anderen’ wel opmerken wat ik doe. Wat blijft er dan nog over van mijn gerechtigheid?
‘Schakel “die anderen” uit,’ zegt Jezus (6,6), ‘het gaat om jou en de perso(o)nen die je helpt, om jou en God. Binnen die driehoek vindt gerechtigheid plaats door te helpen, te bidden en te vasten. Je Vader, die in het verborgene ziet zal het je belonen.’
door: drs. Marc van der Post
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01
