Zo adresseert de apostel Paulus zijn brief aan de christenen in Korinte: ‘aan hen die, geheiligd in Christus Jezus, tot een heilig leven zijn bestemd’. Dat is in één zin tweemaal het woord ‘heilig’. Het gaat over ‘de heiligen’, maar niet als de aparte categorie van Gods keurtroepen tegenover het gewone voetvolk, het zijn niet de officieren tegenover de zandhazen, nee, het is een algemene, alomvattende aanduiding: heel die gemeente in Korinte is ‘geheiligd in Christus Jezus’ en ‘tot een heilig leven bestemd’.
De heiligen, dat zijn ‘de heilige Paulus’ en ‘de heilige Petrus’, zo spreken ook protestanten over hen, althans volgens Johannes Calvijn (in de Catechismus van Genève), zoals protestanten ook spreken van ‘de heilige patriarchen en profeten’ (in de Heidelberger Catechismus). Als ze maar in de Bijbel voorkomen. Heiligen van later tijd zijn problematisch, hoewel bijvoorbeeld Martin Luther wel graag legenden vertelde over zijn naamheilige Martinus van Tours.
Paulus daarentegen is scheutig met de eretitel ‘heilig’. Hij noemt al die heiligen van Korinte in één adem met ‘allen die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, waar dan ook’. Die betiteling ‘heilig’ betreft hen ook.
Paulus viert niet een apart Allerzielen voor alle ontelbare kleine mensen, wier naam er nooit toe deed, die al lang zijn vergeten, tegenover Allerheiligen, de gedenkdag van de geloofshelden, de heiligen van naam en faam. Nee, voor hem zijn zij allen één volk van God, hij spreekt hen allen aan met ‘heiligen’. Allen die ‘geroepen’ zijn, u ook.
We moeten ons bezinnen op wat dat woord ‘heilig’ betekent. Je kunt er twee kanten mee op.
Heilig betekent: er gaat kracht van uit, hevig en heftig, fel en intens, een bron van energie, gevaarlijk en verzengend soms, je ontleent er kracht aan, je wordt erdoor gemachtigd, je wordt erdoor gesterkt. Straattaal: onder tieners klonk vroeger: ‘het is vet!’ of ‘wreed’. Dat heet nu ‘het is heilig, keigaaf’.
De andere betekenis is: het staat apart, afgezonderd van de rest, het gaat er niet aan toe zoals in de gewone gang van zaken, er hangt een rood koord voor dat jou op afstand houdt, zodat je het heilige niet benadert, niet ontwijdt, niet schendt.
Die tweede betekenis is gangbaar geworden. Zelfs tot vervelens toe. Deze gedachtegang deelt de wereld in in twee domeinen: het profane en het sacrale, het gewone en het bijzondere. Op mensen toegepast, is er dikwijls een beroep gedaan op een uitspraak van de apostel: ‘Maar gij geheel anders’ (Ef. 4,20), zodat wie zichzelf heilig houdt, zich afkeert van de wereld, zich anders gedraagt, zich anders kleedt – niet ‘wereldgelijkvormig’ is, zich afzijdig houdt. Dit ‘heilig’ stelt zichzelf apart, ontleent betekenis aan verschil, weet van onderscheid, is niet van deze wereld. ‘Niet aanraken! Niet proeven! Afblijven!’ (Kol. 2,21).
Dit ‘heilig’ is geneigd zichzelf als moreel superieur te zien, integer, onkreukbaar. En daar begint nu net mijn probleem ermee. Want een echte rechtvaardige moet uit twee kwaden kiezen, maakt vuile handen, is niet onkreukbaar, zoals Jezus niet onkreukbaar was, maar voor ons totaal de kreukels in is gegaan en gekruisigd werd.
Het bijbelse voorbeeld van ‘heilig’ bij uitnemendheid is de berg Sinai. Toen het volk van God, na vele omzwervingen in de woestijn, aankwam bij de berg van het verbond, bleek dat een gevaarlijke plek te zijn: zo heilig dat je er heel omzichtig mee om moest gaan. De berg werd afgerasterd: dat niet een kind er zou spelen, want het zou het niet overleven; dat niet een schaap of een geit er zou grazen, want het dier zou dood neervallen; dat niemand zich op die berg zou wagen, dan op straffe des doods (Ex. 19,12).
Dus heeft Mozes uitgemeten waar de paaltjes moesten staan. Tot hiertoe en niet verder (Job 38,11).
Voor de duidelijkheid: die berg was niet heilig omdat hij was afgezet met een dikke omheining, apart gehouden, beschermd tegen profanatie. Nee, die berg werd omheind omdat hij zo heilig was, gevaarlijk, geducht.
Dus de eerste betekenis van ‘heilig’ is dat er kracht van uitgaat, aardbeving, vuurgloed, stormwind, de aarde wankelt omdat de heilige God verschijnt.
Maar in de tijd van de Verlichting vonden keurige, weldenkende mensen die dynamistische opvatting van ‘heilig’ te primitief. Dat er kracht van dingen uitgaat, riekt naar magie en bijgeloof. Dus werd de andere betekenis naar voren geschoven: apart gesteld, een hek eromheen.
Maar als Paulus die christenen van Korinte aanspreekt als ‘geheiligd in Christus Jezus en geroepen om Gods heiligen te zijn’, dan bedoelt hij niet dat ze voortaan schroomvallig en schuchter met veel mitsen en maren moeten leven, maar dat de Levende Heer hen sterkt en bekrachtigt. Dat God hun tot steun zal zijn, zoals de profeet Jesaja zegt: ‘Mijn God, mijn sterkte’. Dat de Heilige Geest hen bevestigt in alles wat hun te doen staat.
En jij? Je bent heilig, dat is: je bent gemandateerd, jouw roeping is van kracht. Dat jij heilig bent komt niet van binnenuit, je nobele inborst of blanke pit, maar komt van buitenaf. Het is je roeping.
Mét dat Hij je geroepen heeft, heeft Hij je geheiligd, opdat er op jouw beurt kracht van jou zal uitgaan. Het geloof is immers niet iets dat in jou opgevouwen ligt, ingepakt, met een strik erom. Het is veel te groot. Het wijkt aan alle kanten. Het geloof leeft niet in jou, jij leeft in het geloof, het omgeeft je, het barst eruit, het is het licht op je pad, het is de overvloed waar jij in deelt, waarvan jij uitdeelt.
Je bent geroepen, ook dat staat in deze paar zinnen tweemaal. Eerst geldt het Paulus zelf: ‘geroepen tot apostel van Christus Jezus’ en daarna geldt het die christenen in Korinte: ‘tot een heilig leven bestemd’. Zo staat het in de vertaling van het missaal en dat geeft precies aan wat ermee bedoeld wordt. Maar letterlijk staat er hetzelfde als wat van Paulus geldt: ‘geroepen heiligen’, ja, dat betreft al je doen en laten: een heilig leven, en je bestemming: tot een heilig leven bestemd. Als je het maar niet te moralistisch opvat, want dat heilig vuur, de dynamiek van de liefde, gaat voorbij aan goed en kwaad.
door: drs. Klaas Touwen
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01
