Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

18-01-2026

EXEGESE

Jesaja 49,3.5-6
De eerste lezing uit Jesaja inclusief de ontbrekende verzen 1, 2 en 4 staat bekend als het tweede lied van de dienaar (of knecht) van de Heer (Jes. 42,1-4; 49,1-6; 50,4-11 en 52,13–53,12). De vier liederen worden toegeschreven aan Deutero-Jesaja, leerling van Jesaja en profeet tijdens de Babylonische ballingschap. De vraag wie met de dienaar van de Heer bedoeld is, is in de loop der eeuwen op verschillende wijze ingevuld. In de christelijke traditie wordt Jezus Christus beschouwd als de dienaar van de Heer.

De profeet – zo noemt hij zichzelf overigens niet – richt zich tot alle volken. Op poëtische wijze verwoordt hij zijn roeping en de daarmee verbonden opdracht om het volk Israël dat zucht onder de ballingschap, terug te brengen tot de Heer. Terugkijkend op zijn leven stelt de profeet vast dat zijn roeping al in de moederschoot was vastgelegd (49,1.5; vgl. Jer. 1,5 en Gal. 1,15). De Heer heeft zijn naam geroepen, hem gevormd en toegerust voor zijn taak (49,1-2). Hij heeft hem tot zijn instrument gemaakt om zijn heerlijkheid te openbaren.

Driemaal komt in deze tekst het woord ‘dienaar/knecht’ voor samen met ‘spreken’ – steeds in de mond van de Heer. De eerste keer is er Israël aan toegevoegd, waardoor het dienaar-zijn zowel individueel (de profeet) als collectief (het volk Israël) te verstaan is (Jes. 49,3.5.6). De laatste keer is de dienaar niet langer dienaar om alleen Israël terug te brengen naar de Heer, maar zijn missie wordt uitgebreid en hij wordt aangesteld tot ‘licht voor de volken …, mijn heil moet reiken tot in de uithoeken van de aarde.’ De profeet kijkt terug, hij heeft alle moeite gedaan. Helaas tevergeefs zoals hij zelf opmerkt, desondanks is hij ervan overtuigd dat de Heer hem zal belonen. Er spreekt een enorm Godsvertrouwen uit deze verzen.

Opmerking: vers 5c van de Hebreeuwse tekst is in de Willibrordvertaling opgenomen als vers 4c: ‘Ik sta in hoog aanzien bij de Heer, en mijn God is mijn kracht.’

1 Korintiërs 1,1-3
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

 

Johannes 1,29-34
Johannes 1,29-34 behoort tot de sectie van Johannes 1,19-51 die direct volgt op de majestueuze proloog en begint met de woorden: ‘Dit dan is het getuigenis van Johannes.’ In de evangelielezing wordt het getuigenis van Johannes verder ingevuld. Johannes bevindt zich aan de overkant van de Jordaan, in Betanië, niet te verwarren met het Betanië van Lazarus, Marta en Maria dat niet ver van Jeruzalem ligt (Joh. 1,28). De overkant van de Jordaan, waar Johannes doopt, is in de woorden van Jan Nieuwenhuis: ‘de plek waar het volk ooit verkeerde vóórdat het de rivier overtrok naar het beloofde land. Dáár hield Mozes zijn grote rede waarin hij de Tora afkondigde (Deut. 1,1-5). Van dáár trok Jozua aan het hoofd van het volk de Jordaan over naar het land dat God voor dit volk bestemd had (Joz. 1,2). Dat Overjordaanse is … de uiterste limiet van de woestijn, grensgebied tussen dood en leven.’ We zijn dus gewaarschuwd, er staat iets groots te gebeuren.

Zoals Jesaja in de eerste lezing geroepen werd tot profeet om de heerlijkheid van de Heer te openbaren, zo geldt dat ook voor Johannes. Johannes is gezonden ‘om met water te dopen omdat Hij [Messias Jezus] aan Israël moest worden geopenbaard’ (1,31.33). Hij werd al eerder, in de proloog, ‘een gezondene van God’ genoemd (1,6). Hij had een missie: ‘Hij kwam als getuige, hij moest getuigen van het Licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. Hij was niet het Licht, hij moest getuigen van het Licht (1,6-8). En iets verder, in Johannes 1,15, staat het nog eens: ‘Van Hem [het mens geworden Woord, de enige Zoon van de Vader (1,14)] legt Johannes getuigenis af …’ Het motiefwoord is hier ‘getuigen’ dat ook in onze lezing centraal staat (1,32.34). Dan is het natuurlijk wel vreemd dat Johannes de persoon over wie hij moet getuigen, niet blijkt te kennen.
De evangelist geeft verder nauwelijks informatie over Johannes (vgl. Luc. 1; Mat. 3 en Mar. 1). Op de drievoudige vraag van de autoriteiten uit Jeruzalem aan Johannes of hij de Messias is, of soms Elia of de profeet, geeft Johannes de Doper tot driemaal toe een ontkennend antwoord. Het gaat niet om hem maar om de boodschap, zijn getuigenis: ‘Ik ben een stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer”, zoals de profeet Jesaja gezegd heeft’ (1,19b-23).

Het evangelie begint met een bepaling van tijd ‘de volgende dag’ (eveneens in 1,35.43). Dat is de dag waarop Johannes daadwerkelijk getuigt over Jezus, als deze naar hem toegaat. Johannes wist niet wie Jezus was, kende hem niet (1,31.33; 1,26), kon dus niet zelf op Jezus afgaan, maar hij wéét onmiddellijk wie voor hem staat, zoals blijkt uit zijn getuigenis. Het is een ooggetuigenis – ‘zien’ is eveneens een heel belangrijk werkwoord in deze tekst. Johannes getuigt dat hij de Geest als een duif op Jezus heeft zien neerdalen en blijven rusten: teken dat Hij de Zoon van God is, die door hem moet worden geopenbaard, (1 Sam. 16,13). De Geest blijft dus op Jezus, vandaar dat Hij doopt in heilige Geest. De Geest herinnert aan het scheppingsverhaal, toen de Geest Gods zweefde over de wateren (Gen. 1,2), de duif aan het nieuwe begin na de zondvloed (Gen. 8).

In Johannes 1,29 valt voor het eerst de naam Jezus in het evangelie, maar Hij neemt nog niet het woord. Wel horen we Johannes, de stem die roept in de woestijn: ‘Daar is het lam van God, degene die de zonde van de wereld wegneemt’, woorden die een vaste plaats hebben in de liturgie (1,29.36). Over de uitleg van dit oudtestamentische beeld verschillen de meningen. Het hier gebruikte Griekse woord amnos ‘lam’ komt in het Nieuwe Testament verder alleen nog voor in 1 Petrus 1,19 en Handelingen 8,32. Sommigen zijn van mening dat hier een link gelegd moet worden met het lam (arnion) in de Apokalyps, vooropgesteld dat het boek uit dezelfde gemeenschap stamt als die waarin het Johannesevangelie is ontstaan. Maar woordgebruik en stijl zijn verschillend.
Eerder ligt het verband met Jesaja’s vierde lied van de dienaar van de Heer voor de hand: ‘Wij allen doolden als schapen, (elke) mens doolde op zijn eigen weg en de Heer leverde hem over aan onze zonden (hamartiais) … Als een schaap werd hij naar de slacht geleid, en als een lam (amnos) dat stom is voor zijn scheerders, opent hij zijn mond niet’ (lxx Jes. 53,6v; volgorde schaap en lam in v. 7 is omgekeerd aan die in de mt). Johannes spreekt in het enkelvoud over ‘zonde’ zodat hier eerder de collectieve zondigheid en gebrokenheid van de wereld is bedoeld en niet zozeer de individuele zonden van de mensen.

Het door de evangelist beschreven beeld van het lam van God zinspeelt ook op het paaslam, cultisch en liturgisch symbool van de bevrijding van Israël (Ex. 12,1-13). Het bloed van het lam of bokje moest aan de beide deurposten en de bovendorpel worden gestreken: ‘Maar jullie zal Ik voorbijgaan: aan het bloed zal Ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee Ik Egypte straf, jullie niet treffen’ (Ex. 12,13). Het lam van God in Johannes 1,29 staat praktisch aan het begin van het Johannesevangelie, op het einde daarvan laat de evangelist de kruisiging en dood van Jezus plaatsvinden op de voorbereidingsdag voor Pasen, dat is de dag waarop de lammeren werden geslacht (Joh. 18,28; 19,14). Op die wijze presenteert hij Jezus als het paaslam dat de wereld redt (Ex. 12,6v.12v).

Literatuur
Jan Nieuwenhuis, Johannes de Ziener, Kampen 2004, 43.
Door Brouns-Wewerinke, In verhalen krijgt geschiedenis betekenis, Boekencentrum 2002, 270.

door: dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons