Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

17-05-2026

EXEGESE

Handelingen 1,12-14
Met betrekking tot de hemelvaart van Jezus plaatst de evangelist Lucas zijn lezers voor enkele problemen. Aan het eind van zijn evangelie vertelt hij dat Jezus op de avond van de eerste dag van de week verscheen aan zijn leerlingen en hoe Hij een stuk geroosterde vis at. Vervolgens nam Hij hen mee de stad uit tot vlak bij Betanië waar Hij van hen heen ging en opgenomen werd in de hemel (24,36-51). Zij keerden terug naar Jeruzalem en verbleven voortdurend in de tempel waar zij God loofden (24,53).

In Handelingen vertelt de auteur dat Jezus samen met zijn leerlingen at en vervolgens opgenomen werd in een wolk (Hand. 1,4.9). Wolken zijn geen meteorologische fenomenen maar theofane elementen. Zo ging de Heer zijn volk in een wolk voor tijdens de uittocht (vgl. Ex. 14,19). In vers 12 bevinden ze zich plotseling op de Olijfberg. Dat kan overeenkomen met de mededeling in het evangelie dat ze richting Betanië, een dorp op de Olijfberg, waren gegaan. Volgens de evangelietekst was het al flink donker (vgl. Luc. 24,29) waardoor de visuele aspecten in Handelingen weer niet met het evangelie te combineren zijn. Een harmonisch relaas is zodoende uit de twee lucaanse teksten, evangelie en Handelingen, niet te verkrijgen.

De perikoop vermeldt vervolgens dat de leerlingen na aankomst in de stad naar het bovenvertrek gingen waar zij verblijf hielden. In Lucas 22,12 heeft de auteur al over een grote bovenzaal gesproken waar Jezus met hen het Pesachmaal gevierd had. Dat zij daar nog steeds vertoefden is eigenlijk zo vreemd niet. De ruimte was hen ter gelegenheid van het Paasfeest ter beschikking gesteld, en het Pesachfeest besloeg zeven dagen.

Vervolgens geeft Lucas de namenlijst van de elf apostelen (Judas Iskariot is intussen afgevallen). In vergelijking met de lijst in Lucas 6,14-16 heeft er een verandering in volgorde plaats gevonden waarvan het motief niet duidelijk is. Markant is eveneens dat de apostelen hier verblijven met de vrouwen, Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers. In het evangelie vermeldt de evangelist deze groepen over het algemeen los van elkaar. In Lucas 24,33 is bovendien nog sprake van ‘de anderen’. Waren dat de tweeënzeventig leerlingen die Jezus uitgezonden had om het Godsrijk te verkondigen (vgl. Luc. 10,1-24)? Met de elf apostelen, tweeënzeventig andere leerlingen, de vrouwen (Maria Magdalena, Johanna, Suzanna, Maria de moeder van Jacobus, Marta en Maria uit Betanië en nog tal van andere vrouwen), de vier broers van Jezus: Jacobus, Jozef, Simon en Judas (vgl. Mar. 6,3) en tenslotte Maria, de moeder van Jezus, komen we op een groep van rond de honderdtwintig. De suggestie dat we hier te doen hebben met de eerste christelijke huisgemeente lijkt overdreven en verraadt misschien dat de wens de vader van de gedachte is. Mogelijk hebben we in onze perikoop een ‘prefatie’ van de harmonische christengroep in Jeruzalem zoals beschreven in 2,43-47: ‘allen die die tot het geloof gekomen waren bleven bijeen… zij loofden God.’

Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73.

Psalm 27,1,4,7,8
Angst. Voor wie en waarom? Zo begint de psalmist dit lied waarin hij zijn vertrouwen uitspreekt dat de Heer hem bijstaat. Om die reden bidt hij dan ook te mogen wonen in het huis van de Heer, dat wil zeggen: de intieme en gelukkige relatie met God ervaren. Dat betekent voor hem het ‘aanschouwen van Gods luister.’

Tweede lezing: 1 Petrus 4,13-16
De perikoop handelt over enkele kernthema’s met betrekking tot het lijden. De auteur ontkent echter dat het leven één grote lijdensweg is (v. 14). Integendeel, tot driemaal toe vereenzelvigt hij het lijden met vreugde vanwege de deelname aan het lijden van Christus, vreugde om de openbaring van de heerlijkheid en wel ‘des te uitbundiger.’ Lijden in naam van Jezus betekent zo dat zijn Geest op de gelovige rust. Dit soort lijden is heel anders dan vervolging vanwege misdaden als moord, diefstal, kwaaddoenerij (tovenarij) of door zijn neus in andermans zaken te steken. Ook apologeten uit die tijd waarschuwen christenen voor dit soort motieven tot vervolging en lijden te vermijden.

Zie: P. van Veldhuizen, ‘In de wereld staan. De eerste brief van Petrus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103.

Evangelie: Johannes 17,1-11a
De grote afscheidsrede van Jezus tijdens een maaltijd (13,2) zoals vermeld in de hoofdstukken 13–16, wordt in hoofdstuk 17 afgesloten met het zogenaamde ‘Hogepriesterlijk Gebed.’ Eigenlijk een vreemde benaming, aangezien Johannes nergens Jezus hogepriester noemt. Deze komt wel voor in de Hebreeënbrief (vgl. Hebr. 7).

Het is veelzeggend dat de auteur van het evangelie Jezus laat spreken in de vorm van een gebed, en zo zijn eigen leven en dat van zijn leerlingen direct in verband brengt met God. We hebben hier niet te doen met een letterlijke weergave van Jezus’ woorden tijdens deze maaltijd, maar veeleer met een reflectie van de ‘gemeente van de Geliefde Leerling’ die Jezus deze woorden in de mond gelegd zou hebben.

Het gebed begint met de aanroeping ‘Vader’. Onder de Joden bestond zeker de gewoonte om God als vader van de koning en van het volk te beschouwen, maar zich in het gebed tot God richten als ‘(mijn) Vader’ was niet zo gewoon. Ook moeten we hier niet direct denken in termen van een conciliaire belijdenis van eeuwen later zoals ‘Zoon, vóór alle tijden geboren uit de Vader’, ook al zou de proloog van het evangelie de lezer daartoe aan kunnen zetten. Eerder lijkt het dat we hier moeten denken aan een belijdenis van de innerlijke verbondenheid tussen Jezus en God. Als de johanneïsche gemeente overtuigd was van de intieme gemeenschap, is het niet te verwonderen dat ze Jezus zo laten spreken.

Deze intieme relatie van Jezus met de Vader wordt zichtbaar in het feit dat Hij Gods grootheid heeft getoond door het werk te volbrengen dat God Hem opgedragen had. Deze relatie breidt zich uit naar de leerlingen. ‘Ik heb uw Naam aan hen bekend gemaakt.’ Geen theoretische kennis, maar een liefdesrelatie waarnaar ‘kennen’ in de Bijbel verwijst. Opdat deze intieme relatie van de leerlingen met God bestendig moge zijn, bidt Jezus voor zijn vrienden: ‘Ik bid voor hen’ (v. 9).

Opvallend in dit gebed is het feit dat er in hoofdstuk 17 van dit evangelie zo vaak gesproken wordt van ‘de wereld’. Alleen al in de perikoop van deze zondag komen we die uitdrukking al vijf keer tegen. Wat bedoelt de evangelist daarmee?
Omdat het vers ‘God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Joh 3,16), meer dan bekend is, kan dat de indruk wekken van een gunstige houding van Johannes ten opzichte van de wereld. De evangelist gebruikt de term ‘wereld’ echter vaker om diegenen aan te duiden die het licht verwerpen. In het Johannesevangelie lijken daar zelfs ook vaak de Joden (Judeeërs) en de leerlingen van Johannes de Doper zich onder te bevinden, terwijl de johanneïsche gemeente gevormd wordt door hen die het licht wel aannemen. De wereld is voor Johannes de plaats van ‘de kinderen van de duisternis (12,35v), zij die Jezus en zijn volgelingen haten (7,7; 16,20).’ Voor hen weigert Jezus te bidden (17,9). En als Jezus niet van deze wereld is, dan zijn volgelingen evenmin (vgl. 15,18v). De kwestie van wel of niet van de wereld zijn is beslissend voor de identificatie tussen Jezus en de zijnen. ‘Zij zijn van U, alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij.’

door: Gerard van Buul OFM
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.42.5
Volg ons