Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

12-4-2026

EXEGESE

Het evangelie voor deze zondag – waarin de Verrezene zijn wonden toont en Tomas die wonden persoonlijk wil kunnen voelen – kan de indruk wekken dat het vandaag gaat over de betrouwbaarheid van het getuigenis omtrent de verrijzenis. Als we echter het geheel van de lezingen voor deze zondag bekijken, dan zien we dat het accent ergens anders ligt. Het gaat om het leven van de vroege gemeente, dat helemaal in het licht staat van de opstanding.

Handelingen 2,42-47
In het begin van het boek Handelingen lezen we over het leven van de vroege gemeente. Deze passage staat niet op zich: het eerste deel van Handelingen wordt telkens onderbroken door korte momentopnamen van de vroege gemeente: na 1,14 en 2,42-47 nog 4,32-37; 5,12-16; 5,41v; 8,1-3; 11,19-30 en 12,24. De perikoop van vandaag vertelt over trouw aan het onderwijs van de apostelen, de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed (v. 42). Het zijn de pijlers van het kerk-zijn: trouw aan het Woord zoals dat is overgeleverd, saamhorig in gemeenschap, verzameld rond brood en wijn, verbonden in gebed. In de verzen 44-47 worden deze vier elementen wat nader ingekleurd, waarmee ze meteen al wat problematischer worden voor ons. Bij het onderricht horen wonderen en tekenen. Bij de onderlinge gemeenschap hoort dat alle bezit gemeenschappelijk is. Bij het breken van het brood en bij het gebed, ten slotte, hoort dat je dat dagelijks doet en daarbij ook samen de maaltijd gebruikt. Allemaal zaken waar we nu voor terugdeinzen.

Nu heeft Handelingen wel de neiging een idealistisch beeld te tekenen van de vroege gemeente. Er waren ook spanningen, zoals blijkt uit de manier waarop Ananias en Saffira proberen te sjoemelen met het delen van bezit (5,1-11) en uit de richtingenstrijd tussen ‘Hebreeën’ en ‘hellenisten’ (6,1). Zonder iets af te willen dingen op het hooggestemde ideaal, is het wel duidelijk dat het Handelingen niet gaat om een beschrijving van hoe het er feitelijk aan toeging, als wel om een blauwdruk van een gemeente die geraakt is door de verrijzenis en daaruit wil leven.

Het lijkt misschien vreemd deze passage te lezen op Beloken Pasen, terwijl het leven van de vroege gemeente gebaseerd is op de gebeurtenissen van Pinksteren (2,1-40). Toch is deze keuze goed te verdedigen. In de vroege kerk werd aanvankelijk nauwelijks onderscheid gemaakt tussen Pasen en Pinksteren: de verrijzenis en de gave van de Geest waren nog niet liturgisch uit elkaar getrokken. Het boek Handelingen begint waar het Evangelie volgens Lucas eindigt: bij de hemelvaart, waar dezelfde in het wit geklede gestalten aanwezig zijn als bij de verrijzenis (Luc. 24,4; Hand. 1,10). De hemelvaart, twee keer verteld, aan het einde van het Lucasevangelie en aan het begin van Handelingen, werkt als een scharnier, die Pasen en Pinksteren verbindt. De gedachte was dat Jezus bij zijn opgang naar de hemel de apostelen een tweevoudige gave heeft gegeven: het Woord (Tora, Wet) en de Geest, die dat alles te binnen zal brengen. We zien dit nog terug in het evangelie voor deze zondag, wanneer Jezus de leerlingen hun opdracht geeft en over hen ademt met de woorden ‘Ontvangt de heilige Geest.’

Psalm 118
De antwoordpsalm 118 biedt een mooie brug tussen de lezingen. De dagelijkse lofprijzing van Handelingen 2,47 wordt door ons als vierende gemeente opgepakt als wij in het responsorium zingen: ‘Dank de Heer, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen’ (Ps. 118,1).

Spannend wordt het wanneer de gemeente ook vers 17 in de mond neemt: ‘Ik ben niet gedood, nee, ik leef.’
Hier is een waarschuwing op zijn plaats. De gewoonte om de psalmen te lezen als vooruitwijzingen naar Christus is erg oud, maar niet zonder gevaar. Het is veiliger en correcter om te zeggen dat de vroege gemeente, in de ervaring dat er ondanks moeilijkheden toch perspectief is, zichzelf inleefde in sterven en verrijzen van Christus en zich daarmee het vertrouwde psalmwoord eigen kon maken: ‘ik ben niet dood, ik leef.’ Dat kan de vierende gemeente nú nazingen: ondanks ‘pijnlijke beproevingen’ zijn wij – in het licht van Pasen – niet aan de dood prijsgegeven (v. 18).

1 Petrus 1,3-9
Toegeschreven aan de apostel Petrus, is deze brief ongetwijfeld van de hand van een latere schrijver die zichzelf wilde plaatsen in een traditie die zich beriep op de apostel Petrus. Zoals je mag verwachten, gezien de toeschrijving aan Petrus, vertoont de brief een beeld van de vroege gemeente dat overeenkomt met het beeld dat in het begin van Handelingen geschetst wordt: de opstanding van Christus betekent voor de gemeente nieuw leven. Niettemin verraadt 1 Petrus toch wel zijn late ontstaan: er is sprake van beproevingen, en het gevoel van het ‘nu’ van de vroege gemeente die leeft in de verrijzenis, begint te verschuiven naar een denken in termen van verwachting.

De beproevingen (v. 6) hebben mogelijk te maken met incidentele vervolgingen in Klein-Azië, waar deze brief gesitueerd moet worden. Misschien is er ook sprake van maatschappelijke weerstand tegen de vroege gemeente. Het begrip beproevingen herinnert aan Psalm 118,18, maar terwijl het in de psalm de Eeuwige is die uitkomst brengt, is het in 1 Petrus de gelovige die zijn geloof (of vertrouwen, dat is hetzelfde woord) moet bewijzen (v. 7). Dat het denken zich ondertussen meer in de richting van de langere termijn begeeft, is te zien aan de voorschriften die 1 Petrus 2,4-10 geeft voor het gemeenteleven. Het gemeenteleven dat in Handelingen zo vanzelf ging, wordt nu gestructureerd.

Zie: dr. P. van Veldhuizen, ‘De eerste brief van Petrus. In de wereld staan’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103

Johannes 20,19-31
De passage bestaat uit drie delen. In het eerste deel, 19-23, verschijnt Jezus aan de leerlingen. In het tweede deel, 24-29, verschijnt Hij ook aan Tomas. Het derde deel, 30-31, is het eerste slot van het Johannesevangelie (Joh. 21 is naar algemene overtuiging later toegevoegd). In het eerste deel zit een akelig stukje, namelijk dat uit vrees (v. 19) voor de Judeeërs – of de joodse leiders – de deuren gesloten zijn. Bijbels gezien zou vrees eerder op zijn plaats zijn bij het verschijnen van de Eeuwige. Het toont dat de leerlingen hun prioriteiten niet op orde hebben. Het herhaalde ‘vrede’ van de kant van Jezus (20,19.21.26) brengt ze weer bij de les.
Die les is het Pinkstermotief, dat wat de vroege gemeente beweegt: de opdracht (20,21) en de adem van de heilige Geest (20,22). Daarin zit een toespeling op Genesis 2,7, Ezechiël 37,9 en Wijsheid 15,11: de adem van de Geest is de levensadem. De leerlingen zijn zelf herschapen en krijgen tegelijk de opdracht mee tot herschepping. De vroege gemeente is zelf een zichtbare nieuwe schepping.

In het tweede stuk ligt de nadruk op het zien van Tomas. Wat wil hij nu eigenlijk? Voelen als bewijs dat de Verrezene echt is? Zou hij anders niet willen geloven? De tekst lijkt het te suggereren, als Jezus tot hem zegt ‘wees niet langer ongelovig’ en ‘omdat je gezien hebt heb je geloofd’ (20,27.29). Dat laatste is zeker waar, maar zien is niet voelen. Dat voelen heeft zelfs niet eens plaatsgevonden, het staat er althans niet. Tomas is niet op grond van voelen tot geloof gekomen. Het is goed nog eens beter te kijken naar dat voelen waar Tomas het over heeft.

In het evangelie komt Tomas naar voren als iemand die een sterke betrokkenheid heeft op het lijden. Hij was bereid mee te gaan naar de gestorven Lazarus: ‘laten wij ook gaan om samen met hem te sterven’ (Joh. 11,16). Vanuit die optiek verbaast het niet dat hij nu zegt dat hij zijn handen in Jezus zijde wil steken. Letterlijk staat er ‘invoegen’ of ‘inwerpen’ (Grieks: eisballoo, 20,25). Voor ‘wond’ staat er in het Grieks tupos, ‘merkteken’. Hij wil dus invoegen in de zichtbare merktekens van Jezus’ lijden en sterven.
Merk in dit verband op, dat bij Lucas de wonden helemaal afwezig zijn: daar toont Jezus zijn handen en voeten (Luc. 24,39). Bij Johannes daarentegen worden de wonden uitdrukkelijk genoemd, omdat zij merktekenen zijn dat Jezus zijn leven gegeven heeft voor zijn vrienden (15,9-17). Pas ten overstaan van Hem die invoelbaar door het lijden gegaan is, is Tomas bereid te getuigen ‘Mijn Heer en mijn God’ (v. 28).

Van deze scène zijn tal van schilderijen gemaakt. Sommige, bijvoorbeeld van Rubens en Rembrandt, tonen hoe Tomas uitgenodigd wordt zijn hand in Jezus’ zijde te steken, zonder dat daadwerkelijk te doen. Tekstueel gezien hebben deze schilderijen het bij het juiste eind. Er zijn er ook, denk aan Caravaggio, die Tomas’ vingers stevig in de wond van Jezus’ zijde zetten. Zij hebben het inhoudelijk bij het rechte eind.

Het is zoals Blaise Pascal (1623-1662) het verwoordde in zijn Pensées: ‘Ik meen dat Christus na zijn opstanding alleen toeliet dat zijn wonden werden aangeraakt … Alleen met zijn lijden mogen wij één worden.’

Literatuur
Tomáš Halík, Raak de wonden aan. Utrecht: KokBoekencentrum, 2018
Blaise Pascal, Gedachten. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2024: citaat Fr. 943 (Lafuma).

door: dr. Arie Troost
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons