Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

10-05-2026

EXEGESE

Handelingen 8,5-8.14-17
De vandaag niet gelezen verzen uit Handelingen 8,1-4, die voorafgaan aan deze eerste lezing, vormen het slot van de beschrijving van het leven en de dood door steniging van Stefanus (6,8–8,4). Uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat Saulus het eens was met deze moord. Op die dag begon ook een hevige vervolging van de gemeente te Jeruzalem met als gevolg dat allen – met uitzondering van de apostelen – zich verspreidden over Judea en Samaria.

Saulus nam deel aan deze vervolging, hij probeerde de gemeente te vernietigen door mannen en vrouwen uit hun huizen te sleuren en in de gevangenis te laten opsluiten. Hoewel de vervolging beoogde de gemeente uit te roeien, werd het tegendeel bereikt. De gemeente verspreidde zich juist door de vervolging en als gevolg daarvan werd ook de goede boodschap wijd en zijd verspreid.

Zo kwam Filippus in Samaria waar hij Christus, de Messias, verkondigde. Met deze Filippus wordt niet de apostel bedoeld maar de diaken, die evenals bovengenoemde Stefanus en nog vijf anderen aangesteld werd om de Hellenisten te ondersteunen (6,1-7). Dat hij uitgerekend in Samaria de Messias preekte, is bijzonder omdat de verhouding tussen Joden en Samaritanen niet al te best was. De laatsten erkenden het religieuze gezag en de tempel in Jeruzalem niet, hun eigen tempel was ooit op de berg Gerizim. Zo beschrijft Lucas in zijn evangelie hoe Samaritanen weigeren, Jezus en de leerlingen door hun land te laten trekken (9,51-56). Anderzijds vertelt Lucas ook het verhaal van de barmhartige Samaritaan en de genezing van de tien blinden die zich aan de priester in de tempel moesten laten zien en waarvan er maar één, uitgerekend een Samaritaan, terugkwam om Jezus te bedanken (10,25-37; 17,11-19).

Filippus heeft veel succes met zijn verkondiging. De mensen luisteren aandachtig naar zijn woorden en zien (blepoo) de tekenen die hij doet: onreine geesten worden uitgedreven, verlamden en kreupelen worden genezen. De passage eindigt met de woorden dat er grote vreugde was in die stad.

In de evenmin gelezen verzen uit Handelingen 8, 9-13 maken we kennis met de magiër Simon en zijn geschiedenis wordt hervat in Handelingen 8,18-24. Deze Simon wist de mensen versteld te doen staan en noemde zichzelf (!) een groot man. Iedereen was ervan overtuigd dat hij de grote kracht van God was, juist omdat hij hen telkens weer verbaasde door zijn magische kunsten. Maar toen Filippus het koninkrijk van God en de naam Jezus Christus verkondigde, lieten mannen en vrouwen die tot geloof gekomen waren, zich dopen. Ook Simon geloofde en liet zich dopen en bleef bij Filippus omdat hij zelf versteld stond van de tekenen en grote krachten die hij zag (theaomai betekent ‘zien’ maar dan van de buitenkant, als toeschouwer, vgl. ons woord theater).

De lezing vervolgt in 8,14 met de mededeling dat de apostelen in Jeruzalem Petrus en Johannes naar Samaria stuurden, nu de mensen daar het woord van God hadden aangenomen. Was er in het bovenstaande sprake van onreine geesten die uitgedreven waren, nu bidden Petrus en Johannes om heilige geest over hen. Want de mensen waren weliswaar gedoopt in de naam van de Heer Jezus, maar nog op niemand was heilige geest neergedaald zoals bij de apostelen. Dit gebeurde pas na het gebed en de handoplegging.

Tot zover de lezing. Het verhaal van de magiër Simon gaat verder (8,18-24). Toen deze zag dat heilige geest geschonken werd door handoplegging van de apostelen bood hij Petrus geld aan om die macht te verkrijgen. Petrus was uitermate geërgerd, want Gods geschenk is niet te koop (8,21). De handoplegging is verbonden met gebed en God is de schenker van de geest. Zo blijft Simon de magiër aan de buitenkant staan, in tegenstelling tot de mensen in Samaria.

1 Petrus 3,15-18
Zie: P. van Veldhuizen, ‘In de wereld staan. De eerste brief van Petrus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103.

Johannes 14,15-21
Op de laatste zondag voor Hemelvaart lezen we een perikoop uit de afscheidsrede van Jezus, waarin de Geest een van de hoofdthema’s is (Joh. 13–17: 14,16-17.25-26; 15,26; 16,7-11.12-15). Jezus bereidt de leerlingen voor op zijn naderend afscheid, maar zoals steeds in het evangelie van Johannes spreekt Jezus op een dieper niveau dan de leerlingen. Dat blijkt al uit hun vragen. Simon Petrus bijvoorbeeld vraagt Jezus waar Hij naartoe gaat (13,36). Tomas zegt tegen Jezus dat ze niet eens weten, waar Hij naartoe gaat, hoe zouden ze dan de weg kunnen weten? Waarop Jezus antwoordt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ (14,5v). Filippus vraagt Jezus hun de Vader te laten zien (14,8). En aansluitend aan onze lezing vraagt Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus, waarom Hij zich wel bekendmaakt aan de leerlingen en niet aan de wereld? (14,22) Kortom, een en al onbegrip en misverstand van de kant van de leerlingen, wat Jezus op zijn beurt de kans geeft dieper in te gaan op hun vragen over zijn heengaan.

Onze evangelielezing vormt een eenheid en begint met de woorden: ‘Als je Mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden’ en eindigt aldus: ‘Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft Mij lief. Wie Mij liefheeft, zal de liefde van mijn Vader en Mij ontvangen, en Ik zal Mij aan hem bekendmaken (14,15.21). Wat deze geboden betreft: in Johannes 13,34-35 geeft Jezus de leerlingen een hernieuwd gebod: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn’. Voor de woorden liefde en liefhebben staat er in het Grieks steeds agape en agapao.

Ingebed tussen deze verzen over de gemeente die op ware liefde is gebaseerd, staat de komst van de parakleet, de helper, de advocaat, de trooster, de Geest van waarheid; want Jezus laat zijn leerlingen niet aan hun lot over, ook al kan Hij binnen afzienbare tijd niet meer lijfelijk bij hen aanwezig zijn (14,16.26). De Vader zal deze parakleet sturen op verzoek van Jezus, een hartverwarmende kracht voor de gemeente om de liefde te laten bloeien. ‘Hij is de nieuwe gestalte van de opgestane en doorlevende Jezus, diens voortgezette, maar vernieuwde, want verheerlijkte aanwezigheid. … Die herleefde, opgestane Jezus in de geschiedenis van zijn leerlingen en van zijn gemeente heet bij Johannes ‘geest’.’ Aldus Jan Nieuwenhuis (blz. 325).

Ook al is Jezus er na zijn dood niet meer, op een andere wijze is Hij wel degelijk blijvend aanwezig, een wijze die voor de leerlingen en voor ons niet te vatten is, als parakleet (14,16v; vgl. 1Joh. 2,1). Terecht merkt Jan Nieuwenhuis op dat parakleet geen eigennaam is, maar een functie, een beroep (blz. 326). Hij onderricht en brengt de leerlingen alles in herinnering (14,26), hij zorgt ervoor dat zij tot de volle waarheid komen (16,13), hij zal getuigen van Jezus (15,26).

Er bestaat een tegenstelling tussen ‘jullie’ (de leerlingen van Jezus) en de ‘wereld’ die de geest van de waarheid, de parakleet, niet kan ontvangen. Tot de wereld behoort ieder die zich afkeert van de Vader en van Jezus en die daarom niet kan ‘zien’ (14,17.19.19) en niet ‘weet’ in tegenstelling tot de leerlingen die wél zien en weten (14,17.17.20).

Literatuur
Jan Nieuwenhuis, Johannes de Ziener, Kampen 2004.

door: dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.42.5
Volg ons