Abraham trekt in de eerste lezing samen met vrouw Sara en neef Lot weg uit z’n land en weg van zijn familie. Zij doen me onmiddellijk denken aan de miljoenen mensen die gedurende de hele geschiedenis en ook nu wegtrekken uit hun land, op zoek naar een betere toekomst. Abraham, Sara en Lot zijn migranten. We weten niet precies wat het was dat hen op weg deed gaan. Hadden ze het niet goed in Haran, de stad waar ze tot dan toe woonden? Het zou kunnen. Ze hoopten in elk geval dat het in Kanaän beter zou zijn.
We horen in het verhaal dat het God zelf was die Abraham riep en uitnodigde om op weg te gaan. ‘Ginds zul je zegen ontmoeten, is er toekomst voor jou en de jouwen en vooral, Ik zal bij jullie zijn.’ Alle migranten van alle tijden en van alle continenten gaan op weg met dezelfde hoop en verwachting als Abraham. Ze mogen zich in hun waagstuk gesteund voelen door dezelfde God.
Migranten en asielzoekers vormen al vele jarenlang het centrum van eindeloos veel politieke discussies en zijn binnen de samenleving een bron van tegenstellingen die eerder scherper dan milder worden. Verkiezingen worden gewonnen en verloren op dit thema. Tegenover de migranten die op zoek zijn naar een betere toekomst staan in een land de mensen die er al eerder waren en van wie gevraagd wordt ruimte te maken voor wie nieuw binnenkomen. Dat kan lastig zijn, want het vraagt misschien offers, en het vraagt zeker aanpassing aan andere culturen die opeens dichtbij zijn in plaats van alleen ver weg. En dat in tijden dat er toch al zoveel verandert en onzeker is. Je zou kunnen zeggen dat de grootschalige migratie zoals we die nu kennen van iedereen vraagt zich te verplaatsen en te veranderen. Willen we dat?
We zitten in de Veertigdagentijd, tijd van voorbereiding en bezinning op Pasen. Samen met Jezus en drie van zijn leerlingen bevinden we ons in de evangelielezing van vandaag op een hoge berg en worden we uitgenodigd na te denken over de koers die we met ons leven gaan. Jezus staat op een kruispunt. Tot nu toe waren er veel mensen enthousiast geworden over zijn optreden en over zijn boodschap. Maar in toenemende mate begon Hij tegenstand te krijgen, van farizeeën en andere schriftgeleerden en van de religieuze autoriteiten in Jeruzalem. Hij weet dat zijn leven voortijdig kan aflopen en Hij begint er met zijn leerlingen over te spreken.
Nu heeft Jezus zich even teruggetrokken, samen met zijn drie meest vertrouwde leerlingen. Het verhaal vertelt dat Hij van gedaante verandert, gaat stralen als de zon. Dan heeft Hij een ontmoeting met Mozes en Elia. De leerlingen raken diep onder de indruk. Het is alsof alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft bevestigd wordt door God zelf. Te midden van toenemende onzekerheid is er houvast te vinden: Mozes en Elia, die de Wet en de Profeten vertegenwoordigen, bieden oriëntatie. God zelf laat zich horen, er klinkt een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’
Al deze bevestiging neemt niet weg dat ze weer in beweging moet komen. Petrus zou wel op de berg willen blijven, hij stelt al voor om drie tenten te bouwen. Maar als de leerlingen die stem horen die besluit met te zeggen: ‘Luister naar Hem’, bevangt hen grote schrik. Ze weten dat Jezus niet iemand is die stil blijft staan. Hij had al met hen gesproken over de mogelijke afloop van zijn missie: Hij wilde het lijden niet uit de weg gaan en het kruis opnemen als dat nodig was. Moesten ze naar Hem luisteren, moesten ze Hem navolgen op zijn weg? Zouden ze dat aandurven?
Maar dan, staat er, als ze de schrik flink te pakken hebben, komt Jezus naar hen toe en raakt hen aan. ‘Sta op en wees niet bang,’ zegt Hij, ‘wees niet bang om in beweging te komen, vertrouw erop dat Ik bij jullie ben. Vertrouw erop dat jullie in een lange traditie staan, die al begint bij Abraham en Sara, bij Mozes en Elia, die via Mij loopt en die verdergaat de toekomst in. Er gebeuren onverwachte dingen, want zo is het leven. Er kruisen mensen onze weg die we nog niet kenden. We kunnen het er echter op wagen.’
De leerlingen dalen met Jezus de berg af. Wat ze meegemaakt hebben schreeuwen ze niet van de daken, dat houden ze bij zich, bewaren ze in hun hart. Zo dalen wij straks ook van de berg af, betreden wij weer ons dagelijks leven. Wat God ons vandaag gezegd heeft, mogen wij ook bij ons houden en mogen we verder laten groeien, daar is het Veertigdagentijd voor. Dat we ons daarbij beschermd en beschut weten, uitgenodigd en uitgedaagd, geïnspireerd en wakker geschud.
door: drs. Marc van der Pos
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02
