Profetenlezing: Genesis 12,1-4a
Abraham is de aartsvader van een menigte volken,
er kleeft geen smet aan zijn roem.
Hij hield zich aan de Tora van de Allerhoogste
en had met Hem een verbond.
Dat verbond heeft hij in zijn lichaam gesneden,
en toen hij werd beproefd, bleek zijn trouw.
Daarom heeft de Heer hem onder ede beloofd
dat in zijn nageslacht de volken gezegend zouden zijn.
(Sirach 44,19-21a)
Kort en bondig vat Jezus Sirach het leven van Abraham en zijn roeping samen. Terach, de vader van Abram, Nachor en Haran, verlaat Ur, de stad van de Chaldeeën. Hij gaat samen met zijn familie naar Kanaän. In Charan aangekomen blijft hij daar tot zijn dood wonen (Gen. 11,27-31). JHWH roept Abraham en Sara:
- trek weg uit je land
- verlaat je familie en je naaste verwanten
- en ga naar het land dat ik je zal wijzen
Abraham en Sara geven gehoor aan het woord van JHWH en gaan op weg naar Kanaän (12,4v). Zij wagen het (op hoge leeftijd) met de roepstem van God. Alles loslaten, met God wandelen en een zegen zijn voor alle volken op aarde. JHWH zal hen tot een groot en befaamd volk maken en hen zegenen. Het getuigt van veel lef van hen om met God dit avontuur aan te gaan.
Sinds de roeping van Abraham en van Sara, is dit de opdracht van het volk van God. Het met God wagen en op weg gaan en een zegen te zijn voor de andere mensen. Met andere woorden: de wereld te humaniseren en tot een huis van vrede te maken voor naaste en vreemdeling.
Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam op weg naar een plaats die hij als erfenis zou ontvangen,
en hij ging op weg zonder te weten waarheen Door zijn geloof trok hij naar het land toe dat hem beloofd was maar hem nog niet toebehoorde. (Hebreeën 11,8v)
Lezing uit de brieven: 2 Timoteüs 1,8b-10
Zie A.B. Merz, ‘2 Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91
Evangelie-lezing: Matteüs 17,1-9
Nadat Jezus zijn leerlingen opnieuw geroepen heeft (16,14-28), neemt Hij Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op. De evangelist beschrijft Jezus als een nieuwe Mozes. Is de hoge berg de berg van de tien woorden, waar JHWH zich bekend maakt door van zich ter laten horen?
Alleen met de drie leerlingen verandert Jezus van gedaante, Hij ondergaat een metamorfose. Zijn gezicht straalt als de zon (vgl. Mozes, Ex. 34,35; Dan. 10,6). Mozes (de Tora) en de profeet Elia (de profeten) zijn met Jezus in gesprek. Houden zij een Leerhuis? Petrus ervaart deze glanzende bijeenkomst als goed. Hij wil deze ontmoeting vasthouden. Hij stelt aan Jezus voor om drie tenten op te zetten (is het Loofhuttenfeest?). Voordat Jezus Petrus kan antwoorden, gaat de hemel open: een stralende wolk daalt over hen heen en er klinkt een stem (van God?): ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’
Door de stem uit de hemel worden de leerlingen door angst bevangen en werpen zij zich ter aarde. Jezus komt naar hen toe, raakt hen aan en zegt: ‘Sta op, wees niet bang!’ Als zij weer tot zichzelf komen zien zij alleen Jezus nog.
Onderweg naar zijn dood en opstanding, geeft Jezus aan drie van zijn leerlingen een doorkijkje naar het einde van de weg die Hij naar de wil van de Vader gaat. Zij mogen er pas met anderen over spreken als de Mensenzoon (door God) uit de dood is opgewekt.
Uit Oer is hij getogen,
aartsvader Abraham,
om voortaan te geloven
in ’t land van Kanaän,
om voortaan als een blinde
te zien een donker licht,
om voortaan helderziend
te zijn op God gericht.
(Willem Barnard, Liedboek 803: 1)
door: Henk Janssen OFM
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02
