De dichter Hans Andreus zegt in een van zijn liefdesgedichten heel puntig tot zijn geliefde: ‘Ik heb je liever dan brood.’ Dat is natuurlijk niet het platte: ik heb liever een vrouw dan een boterham. Dan houd je alles in één sfeer, die van de consumptie. Dan kun je op een rijtje zetten, wat je allemaal aardig vindt en wat nog aardiger: gehaktballen, computers, je geliefde en eventueel komt er na die geliefde nog iets, bijvoorbeeld: een boek lezen of een gedicht maken. Neen, de geciteerde regel is het vervolg op: ‘Ik heb je lief, ik heb je zo lief.’ Daarmee is de geliefde al uitgetild boven alles.
Maar er moet nog meer gezegd worden: ik heb je liever, ik heb je liefst. ‘Ik heb je liever, liever dan brood.’ Brood is broodnodig, zeker. Maar ik mis nog liever wat broodnodig is dan dat ik jou mis. Jij hoort tot een andere sfeer. Bij jou kan ik niet meer denken in termen van nut of aardigheid, bij jou kan ik niet meer rekenen. Als ik brood eet, als ik mijn leven verleng, dan doe ik dat omdat jij er bent. Liefde is geen optional, zoals je een auto kunt nemen met of zonder klokje, met of zonder cruise control. Wie liefheeft, heeft niet meer te kiezen. Kiezen doe je tussen middelen op weg naar een doel. Liefde is het doel en het doel aanvaard je of je weigert, maar er zijn geen alternatieven. Zolang er nog alternatieven zijn, is dat er een teken van dat er nog geen sprake is van liefde. Als een jongen me vraagt: ‘Zal ik verder gaan met Marietje of met Anneke?’, weet ik dat hij nog niet voor de bijl is gegaan. Het leven is nog steeds een supermarkt voor hem. Zal ik de was doen met Omo of met Persil? Nee, maak je ogen schoon met Hans Andreus.
In de eerste lezing van vandaag viel me een merkwaardige zin op. ‘God heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven, dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van voedsel alleen, maar van alles dat uit de mond van de Heer komt.’ Dat is toch vreemd: God heeft u honger en brood gegeven, om u te leren dat u niet leeft van brood alleen. De versregel van Hans Andreus kan er licht op werpen. Het volk krijgt van alles van God: het is bevrijd uit Egypte, het ontvangt de Wet als een goede en mooie leefregel, het ontvangt beproevingen en vernederingen, het krijgt manna en water uit de rots. Maar in dat alles gaat het erom, dat er gemeenschap ontstaat met de Gever. De liefde snijdt het brood, maar als ik het opschrok in mijn eentje, is er een vraag onbeantwoord gebleven en is er een kans misgelopen. Pas wanneer het brood samen gegeten wordt, wanneer het in dank aanvaard wordt, wordt er menselijk gegeten. Daarom heeft God die hele mix van omgang met het volk: er wordt vrijheid gegeven, anders kan er niet bemind worden. Er wordt vernedering gegeven: je moet leren dat je jezelf niet kunt redden, anders ga je de ander als een optie behandelen. Er wordt beproefd, want liefde legt de meetlat hoog. Er worden geboden gegeven, want in de liefde geef je elkaar je eigen gebruiksaanwijzing. Er wordt brood gegeven en water, want de liefde wil dat je leeft. Nog geen wijn daar: zonder liefde is wijn een afschuwelijke drank. Je kunt je er even mee van de wereld afdrinken, je kunt er ook je tong mee strelen. In beide gevallen gebeurt er niets feestelijks. Nee, de wijn is er voor later. Die zal er zijn, als het volk het land is ingetrokken, als de geliefden samenwonen. Dan zal het feest zijn. En ook dan niet altijd: want belangrijker dan het samen drinken is het ‘samen.’ Ook daar blijft gelden: ‘Ik heb je liever dan wijn.’
‘Ik heb je liever dan brood.’ De regel zegt ook dat in de liefde leven en dood op het spel staan. Zonder brood ga je dood. Maar: nog liever dood dan zonder jou. In het evangelie wordt de zaak van de liefde op de spits gedreven, omdat de Liefde er voor ons sterft. Ook Jezus geeft ons brood, zoals God eens het manna gaf. Maar dit brood is vlees en bloed: dit brood smaakt naar het kruis. Wij zijn bemind met een liefde die zich tot het uiterste toe gegeven heeft en geeft. ‘Ik kan je wel opeten’, zeggen we soms, als we gek zijn op iemand. We zeggen het meestal eerder van kleine kinderen, dan van onze partner, maar ook daar kan het gezegd worden. In het evangelie zegt de Liefde: ‘Eet me en drink me.’ En als de ander dan niet liefheeft, maar egoïstisch is of zelfs van haat vervuld, dan gaat die klauwen en verscheuren, vreten. Maar de Liefde laat zich nog liever verscheuren dan dat ze ophoudt te beminnen.
‘Liefde is sterker dan de dood’, zegt het Hooglied. Dat is een zin die aan de ene kant helder waar is: er is liefde die de dood voor lief neemt, als de ander maar leeft. Dat is voorgekomen en het komt nog voor. De Dwaze Moeders, of ze nu uit Argentinië kwamen of uit Afghanistan of de Soedan komen of uit Syrië, bewijzen het. Aan de andere kant is het een zin die niet helder waar is. Liefde wil eeuwigheid, maar of ze die kan geven? Ik bedoel: als iemand uit liefde voor je sterft, is hij wel dood. De weduwen en weduwnaars geloven het niet zo gemakkelijk. Het evangelie sluit met zijn centrale boodschap aan bij het oerverlangen van de liefde: de boodschap van Pasen zegt dat liefde niet alleen zo krachtig is dat ze de dood voor lief neemt, maar dat Gods Liefde zelfs krachtiger is dan de dood zelf. Daarom kan onze Heer niet slechts zeggen: ‘Eet me en drink me’ en daarna volgt de dood. Hij kan zeggen: ‘Blijf me eten en drinken.’ Mijn liefde is onverwoestbaar, onveranderlijk, zelfs door de dood heen. Wie Hem haatte en na zijn dood dacht: opgeruimd staat netjes, die is nog niet van Hem af. Zijn aanbod blijft. Wie hem egoïstisch opgevreten heeft en daarna denkt dat hij in leven lang met schuld en schuldgevoel moet blijven leven, krijgt Hem opnieuw: onveranderlijke liefde is een blijvend aanbod tot vergeving. En wie Hem liefheeft, die eet en drinkt natuurlijk met vreugde, met liefde. En nu is er niet slechts brood en water, maar brood en wijn. Als de dood gestorven is, dan kan er ook gefeest worden.
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de jongste dag. Ja, want het eeuwig leven, wat is dat anders dan: met Hem verbonden zijn in een leven dat niet meer stuk kan, omdat de dood dood is. Zijn vlees eten en zijn bloed drinken: we doen niet anders, hier aan de tafel van de Heer. We doen het nog onder tekenen. Er blijft nog te verlangen over: eens, als we leven van aangezicht tot aangezicht, zal de liefde andere gestalte aannemen. In die zin blijft ook ten aanzien van de Eucharistie de versregel van Andreus waar: Ik heb u nog liever dan uw brood en uw wijn. Tegelijk: de tekenen zijn niet leeg, ze verwijzen niet naar een afwezige, ze zijn gevuld met Hem zelf. Daarom vervang ik bij de Eucharistie de dichtregel van Andreus maar door de prachtige verzen van Psalm 16:
Jou zal ik erven, jou mag ik drinken,
Jij bent mijn lot, vruchtbare grond …
Onder jouw ogen leef ik op.
Koesteren zul je mij in je hand.
door: prof. dr. Jozef Wissink
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03
