Deuteronomium 8,2-3 en14b-16a
Het boek Deuteronomium herneemt de verhalen van de Exodus en zet ze in een theologisch didactisch verband. De aloude kwestie of Mozes de eerste vijf boeken zelf heeft geschreven werd in het eerste vers acuut: ‘aan de overkant van de Jordaan’, waarmee de schrijver zichzelf dus al in het land bevindt, terwijl Mozes dat land niet zou betreden. Ook aan het einde rijst een moeilijkheid waar de dood van Mozes wordt beschreven. Een middeleeuws-joodse auteur verklaart dat Mozes het dictaat van God opschreef, maar dat zijn tranen die laatste verzen uitwiste. Jozua schreef ze toen nog eens! Men mag vermoeden dat toen al de gedachte van meerdere auteurs tersluiks werd aangehangen. De theologische diepte van Deuteronomium blijkt ook uit onze perikoop. Het manna is niet zomaar brood dat miraculeus uit de hemel valt, maar er schuilt een belangrijke didactische dimensie in: kunnen wij mensen dankbaar zijn voor het brood ‘voor vandaag’ (Onze Vader) of willen wij garanties voor heel ons leven? Rabbijnse uitleg merkt op dat met voedsel voor heel de woestijntocht op je rug je niet vooruitkomt. Dat kunnen we verbreden tot de gedachte dat gebrek aan dankbaarheid ons kan verlammen.
In vers 8,2 valt een tweede woord dat we kennen uit het Onze Vader: op de proef stellen. Hier is het niet de mens die God op de proef stelt, maar God die de mens op de proef stelt. Het oude woord ‘verzoeken’ (Statenvertaling) wekt in ons tegenwoordige spraakgebruik misverstanden, alsof er een boosaardige opzet achter schuilt (vgl. ook Gen. 22,1). Ook het ons vertrouwde woord ‘bekoring’ kan misverstanden wekken en wel in twee opzichten: het suggereert mogelijk een diabolische opzet (zoals de gnosis de bijbelse scheppergod ziet), of juist ook iets aantrekkelijks, zoals een mooie vrouw bekoorlijk kan zijn. ‘Op de proef stellen’ benadert de grondtekst het beste, zij het dat een zelfstandig naamwoord hiervan lastig is af te leiden. Zelfs ‘beproeving’ raakt de betekenis maar gedeeltelijk.
Niettemin dienen we het ‘op de proef stellen’ van het volk door God niet al te licht op te vatten. De tocht door de woestijn is daarvan de concrete neerslag: de veertig jaren dienen om losgeweekt te worden van de afgoderij in Egypte en op de onzichtbare God te vertrouwen en diens geboden na te volgen. Hoe moeilijk deze paradoxale vrijheid is in vergelijking met de zekerheid van de vleespotten in Egypte blijkt wel uit het gouden kalf: dat was tenminste zichtbaar!
Het manna biedt dus zo bekeken niet enkel voedsel voor de maag, maar minstens evenzeer voedsel voor de geest of de ziel. ‘De mens leeft niet van brood alleen’ (8,3), waarvan we de echo horen in het verhaal van de beproevingen (!) in de woestijn (Mat 4,4). Het manna heeft als brood uit de hemel alle trekken van het Woord van God dat de mens opvoedt tot die moeilijke vrijheid (Levinas) die samenvalt met verantwoordelijkheid.
De keuze om pas bij vers 14b weer aan te halen heeft als nadeel dat de notie van luxe die God doet vergeten niet duidelijk uit de verf komt. Toch schuilt daarin een les die ook in onze tijd gemakkelijk is na te voltrekken. Gods zegen wordt in vers 8,16 beloofd, op voorwaarde dat de dankbaarheid voor de dagelijkse liefdevolle zorg van God niet wordt vergeten: dat is nu juist de zegen.
Psalm 147
Dat Psalm 147 de zorg van God bezingt sluit wonderwel aan bij de les van het manna, bedoeld of onbedoeld. God die ook de dieren van voedsel voorziet brengt de mens in gelukkige samenspraak met heel de schepping. Mooi om te bedenken hoe in sommige oude missalen een bede tegen veeziekte staat: ‘God die aan de mensenarbeid ook de dieren als hulp hebt geschonken, wij smeken u dat Gij de dieren die onze menselijke natuur voeden, niet laat omkomen door ziekte…’. Met deze psalm en dit gebed komen ook de dieren in het religieuze bewustzijn als bron van dank jegens God.
1 Korintiërs 10,16-17
Paulus noemt in zijn eerste Korintebrief (10,3) het geestelijke voedsel van het volk in de woestijn, kennelijk overtuigd dat het manna voor veel meer staat dan slechts materiële bevrediging. Vandaar ook dat hij verderop in dit hoofdstuk kan verwijzen naar het Laatste Avondmaal, waar Christus beker en brood (in die volgorde! zoals bij het joodse pesachfeest) aanbiedt als bron van onderlinge verbondenheid. ‘Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want we hebben allen deel aan dat ene brood’ (10,17). De context hier is het eten van vlees dat aan de afgoden is geofferd. Al wil Paulus niet de indruk wekken dat hijzelf vindt dat afgoden reëel bestaan en een werkelijke bedreiging vertegenwoordigen (zie 1 Kor. 8), hij waakt hier voor de eenheid van de christelijke gemeente, inclusief de joden-christenen die afgodenvlees radicaal afwijzen. Ook Paulus kiest uiteindelijk voor niet-eten om degenen die zijn vrijheid niet begrijpen niet in verwarring te brengen!
Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56.
Johannes 6,51-58
Eigenlijk is in de voorgaande lezingen al alles gezegd: het brood uit de hemel is als het Woord van God dat de mens opvoedt tot dankbaarheid en onbezorgdheid voor de dag van morgen. Maar Johannes weet er nog heel wat aan toe te voegen. Allereerst schetst hij hoe de mensen de woorden van Jezus misverstaan. Jezus contrasteert het manna met het ware brood uit de hemel, met zijn eigen lichaam en bloed dat wordt gegeven voor de mensen. Zoals in heel het evangelie is er sprake van een goddelijke dimensie die telkens niet wordt begrepen. De polemische context is duidelijk: het zijn de Joden die de spirituele dimensie van het lichaam en bloed van Christus niet begrijpen en menen dat het hier om een soort kannibalisme moet gaan! Overigens hebben we al in eerdere lezing gezien dat de gedachte van een symbolische dimensie van het manna als ‘brood uit de hemel’ (zie ook Ex. 16,3) het Jodendom niet vreemd was. Maar de polemiek met het Jodendom spitst zich hiertoe op de betekenis van de Mensenzoon zelf, Jezus Christus. Dat brood geeft eeuwig leven aan wie dit eet. Een gelijksoortige gedachtegang inclusief misverstaan zien we in Johannes 4,14 waar het gaat om levend water waarna er nooit meer dorst zal zijn.
In het vervolg blijkt dat Johannes ook de leerlingen insluit in het algemene onbegrip voor Jezus’ woorden. Het gaat dus om iets diepers dan slechts een anti-Joodse uitval: Jezus’ woorden worden steeds raadselachtiger met als gevolg dat zelfs veel leerlingen zich van Hem afwenden. Intussen spreekt Jezus over de Vader als degene die Hem alles heeft geschonken. De gezondene ontleent heel zijn gezag aan degene die hem zendt, zo luidt ook de juridische regel. Hier wordt die in christologische zin toegepast: Christus leeft door de Vader. Deze opmerkelijke paradox van hoogheid en nederigheid is kenmerkend voor de johanneïsche christologie.
Opmerkelijk is de discussie in wetenschappelijke kring dat het evangelie van Johannes misschien niet het laatste evangelie is, zoals algemeen werd gedacht, maar het vroegste. Behalve de grote kennis van de Joodse feestdagen zou ook een zeker dualisme tussen geest en vlees hiervan getuigen: ‘de Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets’ (Joh. 6,63). Toch vermijdt het Johannesevangelie een zodanig dualisme dat Christus louter als hemelwezen gezien zou worden (docetisme). Christus eet met zijn leerlingen, ook na de verrijzenis. Het zouden Marcion en de gnosis zijn voor wie Christus niet langer lichamelijk gezien kan worden. Het is echter geen toeval dat juist het Johannesevangelie door de gnosis met graagte werd geciteerd en (mis)verstaan).
door: prof. dr. Marcel Poorthuis
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03
