Matteüs 5,1-12a
De vorige zondag begonnen de Evangelie-lezingen volgens Matteüs, met een korte beschrijving van het begin van Jezus’ optreden in Israël en de roeping van zijn eerste twaalf leerlingen. Vandaag lezen en horen we het begin van de Bergrede, met de zogenoemde Zaligsprekingen.
Opvallend is de structuur van deze acht zaligsprekingen. Vier over mensen die leed te verwerken hebben en vier over mensen die daar oog voor hebben en medelijden en/of mededogen voor tonen. De eerste en de achtste vormen samen een inclusie, een omarming, van het geheel door de formule van de belofte van het Koninkrijk der hemelen. Dit is de typische formulering die Matteüs gebruikt waar de andere Evangelisten schrijven ‘het Koninkrijk Gods. Het is een van de argumenten om de joodse oorsprong van dit Evangelieboek te verklaren. In het jodendom wordt de Naam van God niet uitgesproken en soms vervangen door ‘hemelen.’ Juist ook in de meervoudsvorm, want er is geen enkelvoud van dit woord in het Hebreeuws.
Een korte vergelijking met het Evangelie volgens Lucas laat zien dat in de vergelijkbare ‘Veldrede’ van dat Evangelie de tweede serie van vier zaligsprekingen ontbreekt en er vier ‘wee-spreuken’ voor in de plaats gekomen zijn. Ook is opvallend het verschil in de beeldvorming van beide Evangelieschrijvers. Bij Matteüs wordt Jezus getekend als een rabbi – leraar – die zittend zijn leerlingen toespreekt. Bij Lucas is Jezus meer de profeet die staande zijn volgelingen voorgaat en toespreekt. Bij Matteüs is Jezus ook meer getekend als een ‘nieuwe Mozes.’ Net zoals Mozes als baby ook aan een moordende Farao ontkomen is door Goddelijk ingrijpen, zo is Jezus aan de moordende hand van Herodes door Gods toedoen ontsnapt (Mat. 2). Jezus spreekt vanaf een berg zijn Zaligsprekingen, zoals Mozes de Tien Geboden op een berg van God kreeg en aan het volk in de woestijn aanbood. Zoals de eerste vijf boeken van het Oude Testament. op naam van Mozes staan, zo houdt Jezus in dit Evangelie van Matteüs 5 redevoeringen!
Wie er op let, ziet deze overeenkomsten en bemerkt tegelijk dat volgens Matteüs Jezus ook Mozes overtreft. Want Mozes sterft in het zicht van het beloofde land en zijn graf is onbekend (Deut. 34,7). Maar van Jezus vertelt Matteüs dat Zijn graf er wel is, maar leeg en dat Hij ten leven is gewekt en hen zal voorgaan in Galilea (Mat. 28,7.9). Het is niet onmogelijk dat hier de geloofsgemeenschap was van Matteüs, waarvoor hij dit Evangelie geschreven heeft.
Een opvallend woord is ‘gerechtigheid’, Dit is het trefwoord in de vierde zaligspreking en in de achtste. Deze twee verzen rijmen dus op elkaar. En juist het woord ‘gerechtigheid’ is een lievelingswoord van Matteüs. Het komt 7 maal (!) voor in zijn Evangelie. De eerste keer in hoofdstuk 3,15, bij de doop door Johannes. Daar spreekt Jezus zijn levensprogramma uit: ‘Laat het gebeuren, zo past het heel de gerechtigheid te vervullen.’ Gerechtigheid is de vervulling van de Tora, zeg maar de intentie van de concrete regels van het recht, van de Wet van Mozes. Daarom spreken de profeten ook steeds over ‘recht en gerechtigheid’, als de letter en de geest van de Tora waar het volk van God zich door moet laten leiden.
De acht Zaligsprekingen zijn ook een belofte, een genade aanbod, voordat de opgaves volgen vanaf vers 20. Dit is een vaste structuur in Oude Testament en Nieuwe Testament: eerst een gave (genade) en dan pas de opgave (verplichtingen).
Sefanja 2,3; 3,12-13
Bij deze Evangelietekst is als eerste lezing gekozen voor de tekst van de profeet Sefanja. Hij is één van de twaalf ‘kleine profeten.’ De keuze voor deze twee tekstfragmentjes – uit hoofdstuk 2 en uit 3 – is duidelijk bepaald door de Evangelielezing. ‘Zoekt de Heer, gij ootmoedigen van het land, zoekt de gerechtigheid, zoekt de ootmoed’ dat correspondeert met ‘zalig de armen van geest’ in de Bergrede. En het perspectief is ‘zij zullen geen onrecht meer doen, en geen onwaarheid meer spreken.’ En in de belofte ‘zij zullen weiden en neerliggen zonder door iemand te worden opgeschrikt’ wordt het beeld gebruikt van een kudde schapen, waar het volk van Israël vaker mee werd vergeleken . En waar Jezus ook aan denkt als hij zich de ‘Goede herder’ noemt in het Johannesevangelie.
Psalm 146
Uit Psalm 146 wordt gelezen of gezongen om in te stemmen met de zojuist gelezen tekst van Sefanja. De vierende geloofsgemeenschap beaamt hiermee de woorden van de profeet, dat de Heer zijn Woord houdt en dat Hij in bescherming neemt wie op Hem vertrouwen. Een echo van deze psalm klinkt ook in het Evangelie van Matteüs hoofdstuk 11. Johannes de Doper – in de gevangenis – hoort over het optreden van Jezus en laat vragen: ‘Zijt Gij de komende, of hebben wij een ander te verwachten?’ Dan laat Jezus aan Johannes zeggen: Ga zeggen wat gij hoort en ziet: ‘blinden zien en gebrokenen richt hij weer op’.
1 Korintërs 1,26-31
Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56
door: drs. Henk Berflo
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-01
